Arrow Rock (dag 1)
Zo loop je thuis wat duimen te draaien en stukkies te schrijven en zo kom je in de doorsnee dag een uurtje of vier tekort. Ik wist inmiddels een paar weken dat ik jurylid zou zijn van de Nationale Omkatdag. Dat onbetaalde klusje zou direct na 1 juni beginnen, maar hé, ik had tijd zat. Ik was op zoek naar werk, maar dat vlotte nog niet zo. En plots was binnen drie dagen tijdelijk werk geregeld. Nadeeltje: naast acht uur werken betekende dat ook nog eens vier uur reizen. Maar goed, dat viel nog wel te combineren.
Maar ik was nog amper begonnen of de volgende verrassing diende zich aan: we kregen voor File Under na een aanvankelijke afwijzing alsnog perskaarten toegewezen voor Arrow Rock, het gerontorockfestival bij uitstek. Anderhalve week voor aanvang van het festival pas. Hellup! Nee, natúurlijk ging ik er naartoe. Ik had al kwijlend rondgelopen sinds de namen waren bekendgemaakt. Slechts monetaire krapte noopte mij af te zien van een bezoek op eigen kosten. Nu, gewapend met perskaart en al, kon ik zo binnenwandelen. Maar ja, voorbeschouwingen schrijven, een tent regelen om er te kunnen overnachten en in dezelfde week ook nog jury duty... Kortom, ik heb me anderhalve week de benen onder het lijf vandaan gelopen, voor ik met fotograaf Klaas mijn opwachting kon maken in Lichtenvoorde.
Het geregel van pasjes vooraf ging niet allemaal even soepel, zodat ik al een tijd verder was voor ik mijn tentje kon gaan opzetten. Met fijne achtergrondmuziek, dat wel, want Blackfoot was al begonnen. Het ontbreken van het gezicht van Blackfoot, Rick Medlocke, verhinderde hen niet een goeie set neer te zetten, dat kon ik op afstand ook horen. Steviger dan ik verwacht had ook.
Tegen de tijd dat John Waite het podium betrad was mijn tentje opgezet en kon ik mijn door de broeierige hitte geteisterde lijf richting festivalterrein slepen. Waite's stem bleek nog steeds een genot om naar te luisteren. De recensent die ergens klaagde dat er niets uit de Bad English tijd gespeeld werd was even bevangen door de hitte, want ik hoorde toch echt "When I see you smile" voorbij komen. Ook in 2006 klinkt die song nog voor geen meter gedateerd.
De tweede naam op het veld was Ted Nugent. Tegen de backdrop met een grote Amerikaanse vlag speelde hij vooral het materiaal dat iedere hardrocker hoort te kennen, namelijk de songs van Double Live Gonzo. "Wang Dang Sweet Poontang", "Cat scratch fever" en aan het slot "Great White Buffalo" kregen een man vlak voor me zover een uur lang wild mee te bewegen. In de brandende middagzon, in een temperatuur van ruim boven de 25 graden! Maar eerlijk is eerlijk, Nugent was in zeer goede doen. Als zanger is hij weliswaar beperkt, maar dat past prima bij zijn gillende en krijsende gitaarspel. Van de hitte leek Nugent geen last te hebben, want hij vloog er vol in en wist de attentie van het publiek goed vast te houden.
En dat is toch de kunst op zo'n festival. Je speelt een kortere set, voor een publiek dat minder van je werk kent dan bij een "gewoon" concert. Tel daarbij op dat de temperatuur aan de hoge kant was en een flink deel van het publiek - vooral de Achterhoekers onder hen - de combinatie van een feestje en veel bier minimaal even belangrijk vond als de optredende bands en het mag duidelijk zijn dat je als band iets extra's zult moeten brengen om de aandacht vast te houden. En het moet gezegd worden: de bands slaagden daar over het algemeen heel behoorlijk in.
Zo ook Uriah Heep, dat alweer voor de tweede keer op Arrow optrad. Hoewel bij deze band het grijzeharengehalte in het publiek nog wat hoger was dan bij de andere bands, kregen ook zij de tent lekker vol met hun vertolkingen van klassiekers als "July Morning". Heel wat liefhebbers hadden het daar de volgende ochtend nóg over.
Whitesnake trad als volgende op op het hoofdpodium. De gitaristen Reb Beach en Doug Aldrich zijn geen pur sang virtuozen als Adje Van den Berg en Steve Vai, noch swingende rythm-n'-blues-beesten als Mickey Moody en Bernie Marsden, maar ze vormen een prima tandem daar ergens tussenin. Op hun gitaarspel was dan ook weinig aan te merken. Dat was helaas niet te zeggen van de stem van opper-Brit Coverdale ('Thank you very much indeed') die uiteindelijk de uithalen van de 1987-songs maar liet voor wat ze waren. Wel aangenaam was de verrassing van een in het oranje gestoken Adje van den Berg, die in "Here I go again" en "In the still of the night" liet horen het gitaarspelen nog niet verleerd te zijn.
Omdat de inwendige mens toch echt aan versterking toe was, heb ik George Thorogood gelaten voor wat 'ie was. Terwijl ik aan mijn wokschotel zat - festivaleten bestaat allang niet meer uit slappe hamburgers en dito friet - was het festivalpubliek om me heen lekker aan het kletsen. Het had zomaar een wat groot uitgevallen tuinfeest kunnen zijn. Naast me werd bijvoorbeeld duchtig gediscussiëerd over het aanstaande WK voetbal - voorspellingen voor de kampioen: 3x Brazilië, 1x Italië, 1x Nederland en 1x Ivoorkust. Het Arrow Rock festival is, mede door de ruime opzet van het terrein, een festival waar de fanatiekste muziekliefhebbers en de relaxende, zonaanbiddende feestvierder elkaar niet in de weg lopen. Voor bands moet het soms raar zijn om de helft van de mensen aan de wandel te zien, voor de bezoeker is de ruimte een zegen.
Status Quo was de eerste band die het hele terrein in zijn greep wist te krijgen. Bij de opener stroomde het veld al vol en stond iedereen mee te bewegen. "Geen wonder dat ze al meer dan veertig jaar bestaan" hoorde ik iemand later zeggen. En inderdaad, het plezier dat ze hadden, met het publiek en met elkaar, was zeer aanstekelijk. De set - zonder songs van het laatste, tegenvallende album maar met een lange versie van "Gerdundula" en andere oude favorieten - was precies goed voor het ongecompliceerde feestje dat festival heet.
Status Quo had de set wat ingekort, zodat er meer tijd was voor een Nederlandse primeur: het optreden van Journey. Bij de start van het optreden, met "Faith in the Heartland" van het laatste studio-album, was de toon gezet. De bomvolle tent ging helemaal uit zijn dak bij een mix van oud en nieuw werk. De enthousiaste zanger Steve Augeri bleek zijn vocale prestaties in de studio moeiteloos live waar te maken. Zijn voorganger Steve Perry mag een bijzonder zanger geweest zijn, Augeri is dat ook. Naast Augeri was drummer Deen Castronovo een blikvanger. Zelden heb ik bij een AOR-band de drummer zo als een beest tekeer zien gaan. Inmiddels heb ik heel wat mensen het optreden van Journey het beste van het festival horen noemen, dus we mogen gerust spreken van een geslaagd optreden...
Slotact van dag een was Deep Purple, een van de uitvinders van de gerontorock, mag je bijna wel zeggen. Hoewel met name Steve Morse niet foutloos speelde, was het opvallend hoeveel plezier ook deze heren weer hadden. Bijna het hele optreden stond Morse met een gelukzalige brede grijns op zijn gezicht. Van het laatste album werd slechts één song gespeeld, "Rapture of the Deep", maar live bleek dat dan ook een kraker van jewelste die nog wel eens heel lang in de setlist zou kunnen blijven. Journey-gitarist Neal Schon had blijkbaar nog energie over, want bij "Smoke on the water" kwam hij nog even een stukkie meespelen.
Al met al was het een fantastische dag. Wat er de volgende dag ook zou gebeuren, het festival wás al geslaagd. Tien minuten later stond ik bij mijn tent, nóg tien minuten later sliep ik. Feestvieren had ik al een hele dag gedaan...
Gelukkig had jij nog het verstand om op de camping te overnachten, andere idioten zijn tussen Lichtenvoorde en Assen heen en weer gereden om te overnachten :-)
Dag 1 was inderdaad heel erg goed, maar aan volume had ik Blackfoot geloof ik in Assen nog kunnen horen.
Journey heeft in 1978 op Pinkpop gestaan, dus geen Nederlandse primeur. Verder een prima verhaal.






