Sera Cahoone – Only As The Day Is Long

Sera Cahoone - Only As The Day Is LongSera Cahoone is door ’t thuislabel Sub Pop uit de rijke Seattle-scene geplukt. Oorspronkelijk drumde ze in Carissa’s Wierd, een indierockband met leden van de Band of Horses, maar daar is op dit debuut niets meer van te merken. Sera heeft de akoestische gitaar gepakt en haar americanastem gevonden. Zoet en smachtend zingt ze tien rustig wegtikkende liedjes, vol instant meezingbare melodieën. De instrumentatie is uiterst degelijk, met pedal steel, banjogetokkel en af en toe een strijkje. Zelfs Earth-gitarist Jonas Haskins houdt zich in en kleurt ditmaal met een bas binnen de lijntjes. Cahoone toerde al met Iron & Wine, waar de invloed van terug te horen is in opener “You Might As Well”. Afgezien van die vergelijking vind ik haar een oorspronkelijk artiest. Ze levert onnadrukkelijke kwaliteit die de liefhebbers van Gillian Welch en Caitlin Cary zeker zal bevallen. Only As The Day Is Long is geen plaat waar je ingewikkeld over moet doen, de hele familie zal er mee uit de voeten kunnen. Ik zat zelfs te denken aan Ruud Hermans, ooit zanger van – kent u ze nog – de Tumbleweeds, die laatst zijn veertigjarig bestaan in de muziekbiz vierde. Tegenwoordig presenteert hij American Connection, een beschaafd alt. countryprogramma op Radio 2. Hij moet Sera maar ‘ns draaien.

Lees verder Sera Cahoone – Only As The Day Is Long

Year Long Disaster – Year Long Disaster

Year Long Disaster - Year Long DisasterIk ga het label Volcom eens goed in de gaten houden de komende tijd. De cd van Birds of Avalon draai ik nog steeds heel regelmatig en met dit Year Long Disaster op hetzelfde label gaat het dezelfde kant op. Deze driemansband bestaat uit zanger/gitarist Daniel Davies (zoon van The Kinks‘ Dave Davies, ja), ex-Karma To Burn-bassist Rich Mullins en ex-Third Eye Blind-drummer Brad Hargreaves. In vergelijking met Birds of Avalon zijn deze mannen wel een stuk traditioneler. “Cold Killer” heeft bijvoorbeeld een onmiskenbaar Zep-introotje en ook in de rest van de songs lijken ze uit de studio naast die van Wolfmother te komen. Maar de pret is er niet minder om. Davies heeft een fantastische stem in de traditie van Robert Plant – muzikaal schreeuwen, zal ik het maar even noemen. Het volume is behoorlijk, er zit een flinke grom in en het blijft toch altijd zingen. In vergelijking met het voornoemde Wolfmother zit er wel wat meer southern rock in, wat gezien de achtergrond van een aantal heren ook niet vreemd is. Da’s mooi, want daardoor blijft het wel duidelijk een ander bandje. Sinds het succes van Wolfmother is dit een drukbevolkt genre, maar ze hebben meestal niet zo’n stem als die van Davies in huis. Year Long Disaster is een naam om te onthouden, en bij voorkeur ook te gaan bekijken. Dat kan bijvoorbeeld aan het einde van het festivalseizoen op Pukkelpop.

Lees verder Year Long Disaster – Year Long Disaster

The Miserable Rich – 12 Ways To Count

The Miserable Rich - 12 Ways To CountWat moet ik in hemelsnaam met de omschrijving “chamber pop”? Dan denk ik toch al snel aan een veel te opgeprikte en saaie setting waar een stel brave, lichtelijk suffe types naar een al even saai muziekstuk zitten te luisteren. En hoewel The Miserable Rich geen moment rockt, is dat verder toch niet echt een toepasselijke omschrijving. Rustig is het dus vaak wel, maar saai zou ik het niet willen noemen. Daarvoor gebeuren er te veel spannende dingen en nemen er te veel voor popmuziek bijzondere instrumenten deel. Weg met al die elektronica van tegenwoordig, dit is gewoon weer eens ouderwetse “hardcore” muziek, dankzij de flugelhorn, de trompet, de cello, de klarinet en de viool (dat er ook een beatbox tussen de liner notes staat, vergeten we dan voor het gemak maar even). Oh, en dan zijn we het belangrijkste instrument nog vergeten: de stem. Zanger James de Malplaquet heeft een prachtig expressieve en melancholieke stem. Geen andere stem had beter bij deze muziek kunnen passen. Zelden wordt er nog zulke prachtige, ambachtelijke muziek gemaakt als The Miserable Rich dat doet. Alleen daarom al verdient deze plaat een aantal luisterbeurten van u, geachte lezer. De liefde voor muziek spat van deze plaat af, en is dat niet wat ons allen bindt? Als laatste nog even dit: hun inmiddels redelijk bekende cover van Hot Chip’s “Over and Over” is helaas niet op deze CD te vinden. Gelukkig staat die wel weer op hun MySpace. Dat die maar direct door u bezocht moge worden.

Lees verder The Miserable Rich – 12 Ways To Count

Trouble Over Tokyo – Pyramides

Trouble Over Tokyo - PyramidesSoms laat ik muziek bewust uit. Als ik naar huis fiets na een avond overwerk, is er weinig mooier om naar te luisteren dan het wilde geruis van de wind door de bomen, zelfs klassieke muziek niet. Maar als je dan eenmaal thuis bent, gaat het toch kriebelen. Wat past er bij een late avond, als ik nog vol zit met zorgen, als ik op zoek ben naar innerlijke rust? Zelden ben ik zo positief verrast door een toevallige greep in de stapel toegezonden promo’s als door dit debuutalbum van Trouble over Tokyo. De heldere zang van Christopher ‘Toph’ Taylor verheft zich hoog, ergens tussen die van Greg Gilbert en Mika in, maar dan op een betere manier dan die twee. Songs als “Start Making Noise” en “The Liar” zijn veel meer als een warm bad waarin je wegglijdt. Taylor laat zich begeleiden door afwisselend pianopartijen, grappig geprogrammeerde elektronica, een zangeres of een viool. Een beetje Damien Rice-achtig, vol met bange gevoelens, maar dan met digitale geluidjes in plaats van statigheid. Indielectro, zeg maar, maar wel meer indie dan lectro, en op een fantastische manier. Pyramids is een eenheid waarin overigens alles is ingespeeld door Christopher zelf. Ben je eenmaal ten prooi gevallen aan zijn schoonheid, dan heeft hij bovendien nog eens twee wel heel bijzondere, gevoelige liedjes aan het slot voor je in petto. Zwelgen kan weinig prachtiger dan in “The Dark Below (oh.. my God)”, en in het afsluitende titelnummer komen de elektronische ritmes van het eerdere werk fraai terug. Ik zou nog iets van de mooie teksten moeten zeggen, of van het raadselachtige artwork, maar als de piano van “Pyramides” eenmaal wegsterft voor de stilte, rest er slechts een optie: nog een keer!

Lees verder Trouble Over Tokyo – Pyramides

Tangtype – Flake Out

Tangtype - Flake OutIk heb medelijden met de programmeur van dit Brusselse duo. Als Jean-François Brohée al die glitches manueel in de audio heeft zitten knippen en plakken heeft ie nu waarschijnlijk een zware vorm van rsi. Hij zal er wel nerdy computerprogramma’s voor gebruikt hebben, die de boel automatiseren. Tangtype maakt kapotte muziek met een hoofdletter k. Die k kan trouwens ook wel voor kunst staan. Intellectueel verantwoord is ’t zeker, dit stekelige snarenbed waarover zangeres Julie Cambier st-t-t-t-tottert. Ik werd er behoorlijk kriegel van. Anderzijds, hoe vaak hoor je een zangeres over Autechre-achtige geluidssculpturen zingen. In “Qudra” gebeurt het. Vocalen zijn wat gangbaarder bij de beroemde shoegaze-glitcher Fennesz. Tangtype heeft zonder meer naar de meester geluisterd, zo is na te gaan in bijvoorbeeld “Don’t Feed Blue”, dat zowaar aangenaam en mysterieus hapert. Niet alle haperingen waren overigens opzet, bemerkte ik toen mijn skippende cd-speler aan het derde rondje van een halve minuut begon. Het intro van “Unwinking Transmission” is dan weer waanzinnig irritant, met extreme piepjes die je hond waarschijnlijk van ’t dak doen laten springen. Het slot van de plaat is op zijn zachtst gezegd bizar. “La Reine Du Sandwich” bevat een magnifieke baslijn, maar wordt dan veel te snel de nek omgedraaid voor ‘n, toegegeven, fascinerende geluidsopname in een lokaal restaurant. Was een gepast vervreemdend einde van de plaat geweest. Helaas volgt nog “Conorries En Pagaille”, waarvoor het duo klaarblijkelijk wat kleuters heeft uitgenodigd, die zich uitleven op duimpiano en percussie. Kedeng Pling!

Lees verder Tangtype – Flake Out

The Ting Tings – We Started Nothing

The Ting Tings - We Started NothingEen nummer 1 hit in Engeland! Dat was niet het eerste dat in me opkwam toen ik een aantal maanden geleden op YouTube een filmpje zag van The Ting Tings bij Later With Jools Holland. Verfrissend, zo klonk “That’s Not My Name” zeker, en pakkend ook. Het is de laatste jaren een steeds alledaagsere combinatie geworden, die van man/vrouw in de rock (denk bijvoorbeeld aan White Stripes, Mates of State, Blood Red Shoes of The Kills). Toch zijn The Ting Tings wel origineel te noemen. Hun mix van dance met pop en indie heeft op hun debuutplaat geresulteerd in tien pareltjes, de een nog leuker dan de ander. Naast het al eerder genoemde “That’s Not My Name”, aangedreven door het stuwende drumritme van Jules DeMartino, zijn daar bijvoorbeeld het jazzy “Traffic Light” (met lieflijk stemmetje van zangeres/gitariste Katie White), het funky “Shut Up And Let Me Go” of het typisch Engelse titelnummer “We Started Nothing”. Live laat het duo overigens wel een tape meelopen met wat muzikale ondersteuning in de vorm van samples. Moeilijk is het desondanks allemaal geenszins, en pretentie heeft het ook al niet. Maar simpelheid en eenvoud kunnen soms minstens zo heerlijk zijn. Daar is We Started Nothing het levensgrote bewijs van. Een heerlijke zomerplaat, maar stiekem misschien ook wel eentje die de vraag opwerpt of The Ting Tings blijvers zijn. Ik hoop in elk geval van wel!

Lees verder The Ting Tings – We Started Nothing

Epica

Epica heeft ballen gekregen
Het laatste album van Epica laat geen onduidelijkheden over. De band heeft ballen gekregen. Gothic meets deathmetal. En een van de belangrijkste redenen van het stevige geluid is de nieuwe drummer, Ariën van Weesenbeek. “Ach, ik doe m’n best.”
Epica
Van Weesenbeek is afkomstig van de deathmetalband God Dethroned; hem werd in 2006 gevraagd het nieuwe album in te spelen. Epica’s drummer Jeroen Simons was opgestapt, maar de band had al wel een studio geboekt. “Dat zag ik wel zitten”, zegt Van Weesenbeek. En dus wist Epica zich op The Divine Conspiracy verzekerd van een stevige basis.

Lees verder Epica

M83 – Saturdays = Youth

M83 - Saturdays = YouthOok opgegroeid – net als uw recensent – met geweldige films als Pretty in Pink, Weird Science (ok, niet geweldig, maar wel erg leuk), Sixteen Candles en vooral The Breakfast Club? Allemaal van de hand van John Hughes, de regisseur die ons later nog ging ‘verblijden’ met Home Alone. Het is hem vergeven want die jaren 80 films van hem zitten vol met teen angst, ontluikende liefdes, geluk, melancholie en eigenlijk ook wel hoop. M83-voorman Anthony Gonzales is ook een grote fan van John Hughes en de rest van de jaren 80, want de nieuweling Saturdays = Youth is één grote ode aan die periode en de bijbehorende films. Zie de hoes bijvoorbeeld, maar luister vooral naar heerlijke popjuweeltjes als ‘Kim & Jessie’ en ‘Graveyard Girl’ die nog maar eighties klinken dan vele bands die daadwerkelijk toen bestonden. Het instrumentale ‘Couleurs’ klinkt dan weer als een mengeling van Depeche Mode en Superpitcher, terwijl het fenomenale ‘Skin of the Night’ invloeden van Boards of Canada en My Bloody Valentine (die ‘out of tune’ waaierende synths!) meeneemt op reis naar het perfecte melancholieke popliedje. Dit peil wordt overigens naar het einde toe niet meer behaald, maar de immens dikke sound en de bedoelde overproductie laten je toch zwelgen in jaren-80-tiener(on)geluk. Niets aan het handje zou je zo zeggen, geweldige plaat en graag nog meer van dit. Maar toch niet dus. Het nogal aardse Saturdays = Youth kan namelijk geen moment tippen aan het tegelijkertijd tijd futuristisch en nostalgisch klinkende meesterwerk Before the Dawn Heals Us van enkele jaren geleden; een klassieker waar progrock, krautrock, shoegaze en pop samen door de ruimte suizden, op weg naar het eeuwige zijn. En omdat je weet dat M83 dus beter kan dan op Saturdays = Youth, blijf je na een heel fijne plaat toch met een lichte kater achter. Raar maar waar.

Lees verder M83 – Saturdays = Youth

Junkboy – Three

Junkboy - ThreeDe hoeveelste plaat van de band zou dit toch zijn? De Engelse broers Hanscomb leiden samen dit mij volkomen onbekende post-rockgezelschap. Mits we onder post-rock niet alleen crescendo-rock, maar eveneens het duidelijk door jazz beïnvloede werk van een band als Tortoise scharen. Three opent even sympathiek als ontroerend. Er wordt wat gebabbeld, een rinkelende drumbeat start en iemand roept “hey junkboy!”, waarna een heldere pianolijn de melodie begint. Simpel en charmant. De muziek is vol, maar blijft gemoedelijk. Xylofoons tinkelen, koortjes doen van ‘aah’, gastmuzikant Ben Gates speelt een uiterst memorabel blazersarrangement, waarna de compositie een rondo heeft gemaakt een weer terug is bij het begin. Afgelopen zou je denken, maar we zijn pas op de helft, een gitaarsolo uit de denkbeeldige koker van Jaga Jazzist neemt ’t over. Instrumentaal gezien slaagt Junkboy zonder meer cum laude. Elk liedje bevat wel een mooi melodieus motiefje, uitgevoerd op een breed scala aan instrumenten. “Kamo River” lijkt wel een banduitvoering van een Four Tet-nummer en in “Fidlam Bens” worden wat mooie Leo Kottke-achtige gitaarakkoorden gespeeld. De vocalen zijn helaas wat minder, althans, net als bij Borko zijn ze wat al teveel in de mix opgelost. Dat is in de jamstukken nog niet zo heel erg, maar tijdens de meer poppy nummers, zoals “There Is Light” en slotballade “Waiting For” valt het gebrek aan pit wel op. Als die laatstgenoemde bijvoorbeeld door een van de karakteristiek snerpende voormannen van Motorpsycho was ingezongen had het me veel meer aangegrepen. Nu klinkt ’t wat lafjes. Wie de plaat als een pastorale trip benadert zal daar echter niet om malen.

Lees verder Junkboy – Three

King's X – XV

King's X - XVXV is het nieuwe album van King’s X. (De telling klopt overigens alleen als je het live-album en de verzamelaar meetelt.) Weer met Michael Wagener achter de knoppen, dus dat belooft wat. En toch, inmiddels heb ik het album heel wat keren beluisterd en begint het eindelijk langzaam aan een beetje te leven, maar mijn eerste indruk was dat het een wel erg tam album is. De heren hebben, anders dan voorheen, de songs uitgebreid gerepeteerd en bijgeschaafd voor ze de studio indoken. Wanneer je ziet dat uitgerekend de track “Go Tell Somebody” er direct uitspringt en je leest dat dat er nu net een is die in de studio is ontstaan, dan bekruipt je het gevoel dat de nieuwe werkwijze niet bepaald de gewenste uitwerking heeft gehad. Is het allemaal zo futloos dan? Nou, ergens halverwege de cd wordt het wel een stuk beter – lees: heaviër – en komen met het voornoemde “Go Tell Somebody” en “I Don’t Know” de zo karakteristieke King’s X-tracks alsnog voorbij. Ook de afsluiter, de slow blues “No Lies” mag er zijn. Maar dan heb je toch ook al een stel songs uitgezeten die best aardig zijn, maar King’s X eerlijk gezegd onwaardig. “Julie” (gezongen door Ty Tabor) doet zelfs aan Crowded House denken. Nu kan ik Crowded House best waarderen, maar bij King’s X verwacht ik toch meer pit en meer muzikaal avontuur. Ik vind Ogre Tones een van hun beste albums en ben dus bepaald niet van de school die het vroeger allemaal beter vond. Als XV wat eerder op gang zou komen was dit best een prima album geweest. Nu is het een album dat de nodige gewenning vergt en zelfs dan nog niet echt overtuigt. Jammer.

Lees verder King's X – XV