Bospop 2009 – Zaterdag Achteraf

Dit jaar stond voor het eerst Bospop op mijn programma. Te laat, ik weet het, maar door het uitvallen van het Arrow Rock Festival kwam het er nu eindelijk eens van.

Foreigner

Het relatief beperkte bezoekersaantal – er passen er nu eenmaal niet meer in het sportpark – maakt dat het gezellig druk maar niet afgeladen is. Het publiek is lekker gevarieerd en buitengewoon ontspannen. Ook de organisatie en voorzieningen lopen op rolletjes. Parkeren gaat vlot, ‘s avonds wegrijden ook en bij de consumpties zijn zowaar ook de minder dure versnaperingen van goede kwaliteit. Dat is nog wel eens anders bij festivals. De regen deed verscheidene pogingen de pret te bederven, maar omdat de buien kort en niet al te hevig waren, had dat geen weerslag op het festival.
Natte Apes Fan


mij=Door: Prikkie. Foto's: Danny
Bij Ierland en blues denkt iedere gitaarliefhebber meteen aan Gary Moore en Rory Gallagher. Deze referenties stonden dan ook prompt in het programmaboekje. Jammer, want McBride is heel goed, maar past veel beter in de traditie van blueskanonnen als Joe Bonamassa. McBride speelt met zijn trio meer rock dan Gallagher en meer blues dan Gary-Moore-de-rocker. Bovendien is hij een aanzienlijk betere zanger, met een stem die doet denken aan Joe Bonamassa met een randje Danny Bowes (Thunder). In de stevig door de ritmesectie neergezette songs – met ook een fraaie cover van Jimi Hendrix' “Little Wing” – wisselde McBride tussen solo's en ritmepartijen zonder dat daar ergens gaten vielen. Een perfecte opener voor deze dag.
Simon McBride
De drie retrorockers van The Brew, getooid in psychedelische shirts, lieten er geen misverstand over bestaan waar hun invloeden vandaan komen. In het allereerste nummer stond de gitarist al te soleren met de gitaar in z'n nek en ook verderop kwamen er heel wat Hendrix-citaten voorbij. Ook hier een Hendrix-cover: weer “Little Wing”… Op het enthousiasme was weinig aan te merken, maar qua songs moeten ze nog even sleutelen om aan te haken bij genregenoten als Wolfmother en The Parlor Mob. De pret was er echter, ook bij het publiek, niet minder om.
The Brew
De volgende band, Saint Jude, zorgde voor popsongs met een flinke lik blues. De band zelf en de songs waren degelijk maar niet opvallend. De frontvrouwe, Lynne Jackaman, daarentegen wel. Ze heeft geen lieflijke stem, eerder wat schel en nasaal, met een behoorlijk rauw randje. Maar die stem was er juist daardoor een waar je wel naar bleef luisteren. Bovendien heeft de dame een stage presence waar je u tegen zegt. Tussen de nummers door liep ze ook lustig te babbelen met het publiek.
Op het moment dat ik de tent inliep voor Bernard Allison, startte die met…een Jimi Hendrix-cover. “Voodoo Chile” deze keer. De zeskoppige band, compleet met saxofonist, was een geoliede machine. Maar de wat cleane uitvoeringen en de manier waarop zonder bijna zonder aankondigingen van song naar song werd geschakeld, maakte dat het soms iets te gladjes werd. Bovendien is Allison een prima gitarist, maar leek het repertoire uit het Stevie Ray Vaughan Songbook gekomen te zijn. Leuk om te horen, maar wel erg veilig.
Bernard Allison
Novastar's Joost Zweegers bleek een erg beschaafde jongen, die het publiek begroette met “Goedemiddag dames en heren”. Ook later bleef hij deze aanspreekvorm gebruiken. Muzikaal was het een band die mij zoals verwacht niet erg aansprak. Midtempo met klaaglijke zang doet mij weinig. Dat neemt niet weg dat er een goede set gespeeld werd, al was een zonnetje bij deze band vast beter geweest voor de beleving.
Nu was het tijd voor de band waar ik het meest benieuwd naar was, Drive Like Maria. Helaas niet langer dan drie kwartier. Die drie kwartier waren bovendien nog veel te snel voorbij. Vanaf de eerste maten zat het tempo erin. Wat leuk was om te constateren is dat de bandleden hier alledrie – even afgezien van de extra muzikant voor de laatste songs – essentieel zijn voor het geluid. De opzwepende drums van Bjorn Awouters, de heftige basklanken van Robin van Saaze en de zwaar overstuurde gitaar van Nitzan Hoffmann zijn strak en in cadans en geven Drive Like Maria een tomeloze energie. Van show is weinig sprake, het is koppen naar beneden en raggen met die handel. Drie kwartier lang gaan de remmen los en met een adrenalinebuzz stapte ik de tent uit.
Drive Like Maria
Om daar begroet te worden door twee deiners van Guus Meeuwis. Wat een overgang… Wat mij betreft een misser in de programmering, simpelweg omdat het act is die een te groot deel van het publiek echt tegenstond. Eerlijk is eerlijk, tot aan de geluidstoren stond tweederde van het publiek mee te deinen, maar daarachter zat de rest te wachten tot het ein-de-lijk eens ophield. Dat Meeuwis ook nog bar weinig uptempo nummers in zijn set had opgenomen, hielp ook niet. Leuk detail: de biertap stond op een paar plaatsen stil, omdat het barpersoneel de polonaise liep. Mijn dag was gelukkig al geslaagd door Drive Like Maria, zullen we maar zeggen.
Tim Christensen stond op zijn MySpace-pagina aangekondigd als singer-songwriter, maar hier was hij met wat toch echt veel meer een popband was. Luchtige liedjes met volop referenties naar de Britse pophistorie. Aanvankelijk nummers die sterk aan Crowded House deden denken, gaandeweg meer stevige nummers. Christensen was wel de eerste act waarbij achterin de tent een groot gapend gat te zien was – afgezien van tijdens een korte regenbui. Dat zal echter meer aan het tijdstip dan aan Christensen gelegen hebben, want het optreden was prima.
Tim Christensen
De Fun Lovin' Criminals stonden smooth en classy op het podium in witte pakken. Na een vrij rustig begin kwam er gaandeweg meer rock in hun mix van rap en latin. Ondanks het miezerende weer was de respons van het publiek goed, al werd de bekendste song, “Scooby Snacks”, met afstand het beste ontvangen. Zelf was ik iets minder te spreken over de wat electronisch aandoende sound. Zelfs op de drums leek een enorme bak geluidseffecten te zitten, terwijl juist bij deze band, min of meer de Caribische broertjes van G. Love, een natuurlijke sound past.
Fun Lovin' Criminals
De bieromzet steeg daarna flink, want Rowwen Hèze trad aan in de tent. Niet dat er zoveel gedronken werd, er werd vooral met bier gegooid… Het is me een raadsel waarom Rowwen Hèze niet op het hoofdpodium stond. Nu stond het publiek tot ver buiten de tent, terwijl er binnen een ouderwets feestje gebouwd werd.
Er had bijvoorbeeld geswitcht kunnen worden met Guano Apes. Die speelden op zich een prima set, maar een dynamische act is het niet en dan is het grote podium wel heel groot. Ze slingerden trouwens wel een flinke bak decibellen het veld in, dus dat was het probleem niet. Qua sound zou een tweede gitarist volgens mij live wonderen doen. Nu ontbrak ook in de sound soms wat dynamiek, vooral bij de wat tragere nummers. Niettemin was het goed om ze weer eens live bezig te zien en te horen dat Sandra Nasic nog steeds een fiks stemgeluid heeft.
Guano Apes
Doordat Guano Apes wat te lang doorging, was Ryan Shaw de eerste en laatste act die te laat begon. Het intro van de band – een vette funk – zette me op het verkeerde been, want het is vooral soul en gospel van Shaw brengt. Dat hij een bijzondere stem heeft was tot ver buiten de tent te horen. Jammer genoeg bezondigde hij zich met enige regelmaat aan het toonladdergehuppel-binnen-één-lettergreep van de minder begaafde arrenbie-sterretjes. Gelukkig was ook heel vaak te horen dat hij dat helemaal niet nodig heeft. Als hij en zijn band zijn niet laten verleiden tot het gladstrijken en dichtsmeren van elke overgang, zou hij wel eens een hele grote kunnen worden.
Ryan Shaw
Als afsluiter was Foreigner geprogrammeerd. Een greatest-hits-set, zo was al aangekondigd. Een logisch besluit voor een festival. Van Foreigner is al heel lang bekend dat ze geen verrassende uitvoeringen spelen bij hun optredens, ze spelen hun songs zorgvuldig na van de oorspronkelijke uitvoering. Zanger Kelly Hansen heeft bovendien hetzelfde bereik als Lou Gramm en hanteert exact dezelfde frasering. Verrassend was het dus allemaal niet, maar op deze avond – de laatste show van hun Europese tour – ging het erin als zoete koek, ook bij mij. Wie Foreigner alleen kende van de mierzoete ballades werd verrast door songs als “Dirty White Boy”. De zeskoppige band zorgde ook voor wonderschone achtergrondkoortjes. Slechts de incoherente keyboardsolo, gevolgd door een wat coherentere drumsolo, haalde het tempo er even uit. Met het spannende “Urgent”, inclusief een perfecte saxsolo, werd het tempo weer opgepikt en kon Foreigner naar het slot cruisen. Waar je soms hele grote groepen bij de hoofdact al weg ziet wandelen, bleef het overgrote deel tot de laatste noot van Foreigner.
Een echte Foreigner

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.

Back to Top