Killing Joke - In Excelsis / BXI - Boris & Ian Astbury
Ik houd ervan als ouwe rotten in het vak niet op routine een beetje op tournee gaan en gemakkelijk met wat greatest hits en wat toeters en bellen in een show flink wat geld opstrijken zoals waar de Stones meesters in blijken. Doe mij dan maar een noeste werker als Jaz Coleman van Killing Joke. Die klinkt op de EP In Excelsis nog steeds als de ideale man om je natte haar droog te brullen. Door het vroegtijdige overlijden van bassist Paul Raven bestaat Killing Joke weer uit dezelfde line-up als waarin de band dik dertig jaar geleden begon. Hoor je dat er aan af op deze EP? Ha! Echt niet. Coleman dendert nog steeds als een verwoestende tsunami je speakers uit. Zeker de eerste twee songs, de titelsong en "Endgame" hebben een enorme drive. Het contrast met de andere drie songs is behoorlijk. "Kali Yuga" en vooral "Ghost Of Ladbroke Grove" (in twee versies te horen, waarvan één een dub-variant) zijn wat vreemdere eenden in de bijt. Maar de imposante stem van Coleman maakt het toch weer echt Killing Joke.
Een andere (gewezen?) held die niet van opgeven weet is Ian Astbury van The Cult. Hij verbaast mij ten zeerste door de handen ineen te slaan met de Japanners van Boris. Nou deden die wel eerder samenwerkingsverbanden, maar die vielen toch vaak wat meer in hun eigen, meer obscure straatje dan in de rock zoals Astbury die met The Cult maakte. Maar potverredorie. Het blijkt in de praktijk een puikere combinatie te zijn dan ik voor mogelijk had gehouden. Opgestuwd door de flinke drive van de vaste drie van Boris laat Astbury horen dat zijn stem nog helemaal niet aan sleet onderhevig is. Vooral "We Are Witches" is een lekker snedig, bijna lomp nummer waarin Takeshi zijn gitaar het vuur aan de schenen legt. In één van de vier songs zingt Astbury niet. Dat is in de cover van The Cults "Rain". Daarin zweeft gitariste Wata met Lush-achtige vluchtige stem door de tekst van Astbury, terwijl de rest van de band (met hulp van vaste bijval-gitarist Michio Kurihara) de song net wat dikker aan zet dan The Cult deed. Het resulteert in een hele verrassende versie. Daarna sluit de helaas maar vier tracks tellende EP af met het in eerste instantie bluesy "Magickal Child". Maar als Boris zich dan even kwaad maakt komt er al snel een ziedend meerkoppig monster tevoorschijn.
File Under: Nog lang niet uitgeraasd.
File Audio: [MySpace][Last.fm][Spotify]
File: BXI - Boris & Ian Astbury
File Under: Gave samenwerkingen.
Dungen - Skit I Allt
Het Zweedse Dungen is met Skit I Allt ondertussen aan haar zesde album toe en het lijkt wel of er met elk nieuw te verschijnen albums met grote regelmaat een versnelling verder teruggeschakeld wordt. Nog meer dan op 4 kiezen zanger/pianist/ gitarist Gustav Ejstes en zijn band voor een ingetogen tempo. Hierdoor komt de band ondertussen - vast niet geheel toevallig - uit in het vaarwater van land- en labelgenoten The Amazing. Er is qua bezetting namelijk nogal wat overlap tussen de twee bands, waarbij vooral gitarist Reine Fiske een flinke vinger in de pap heeft bij beide. Wat niet erg is, want zijn gitaargeluid is Goddelijk laidback wanneer het moet en venijnig en korzelig wanneer het kan. En als het moet combineert hij het natuurlijk ook. Een instrumentaal nummer als "Högdalstoppen" geeft hem alle ruimte om te excelleren en waarin de invloed van Pink Floyd er duimendik bovenop ligt. Groot verschil tussen Dungen en The Amazing is wel dat de songs waarin gezongen wordt Dungen blijft volharden in het zingen in het Zweeds dat vast niet alleen voor mij totaal onverstaanbaar is. Dus dat Skit I All Fuck All betekent wist ik niet tot ik het opzocht. Dat dat Zweeds tot mooie dingen kan leiden blijkt bijvoorbeeld uit "Brallor" (dat nota bene broek betekent). Daarin zingt Gustav samen met Anna Jävinen over een gruizige gitaarpartij en een bevreemdende beat je op een geweldige manier toe. Het is avontuurlijk en retro tegelijkertijd. Zoiets soortgelijks geldt voor "Min Enda Vän" dat opgebouwd wordt rond handgeklap, viool, fluit een pianoriedel en de mijmerende zang van Ejstes. Het is niet voor niets dat ik Skit I Allt absurd veel gedraaid heb de laatste tijd. Het is zo'n plaat waar ik echt in weg kan zakken en pas vele draaibeurten later weer uit op klauter. En dan lijkt er gewoon minimaal een half uur niets anders geweest te zijn dan de psychedelica van Dungen. Heerlijk.
File Under: Permanent dagdromen
File Audio: [MySpace]
File Video: [Skit I Allt]
Caitlin Rose - Own Side Now
Ik schrok zelf een beetje van het gegeven. De editie van Into The Great Wide Open die komend weekend plaats gaat vinden is het eerste festival in pak 'em beet vijf jaar waar ik zonder (morele) File Under-verplichting naartoe ga. Geen voorbeschouwing, geen nabeschouwing, geen foto's, niks. Ik vind het bijna eng. Gelukkig ga ik met mijn gezin en een stel goede vrienden. Zij zullen mij met plezier (en bier) ondersteunen dit weekend. Ik heb dan ook nog bijna geen flauw benul wat ik allemaal ga bekijken. Het kon wel eens de weg van de minste weerstand worden. Gewoon een beetje rond hobbelen en zien wat er op ons pad komt. Misschien dat ik nog wel een beetje lichte dwang uit ga oefenen. Zo lijkt de zaterdagmiddag me uitstekend om naar Caitlin Rose te luisteren. De drieëntwintigjarige zangeres uit Nashville heeft na een paar ep’tjes net haar debuutalbum Own Side Now uitgebracht en haar muziek lijkt me nu precies iets dat de hele karavaan waarmee we op tour gaan kan bekoren. Beetje singer/songwriter, dikke dot country, goede stem, niet al te lastige liedjes. Het verbaast me niet dat ze Linda Ronstadt als grootste invloed noemt, want daar schuurt ze met grote regelmaat langs. Sterke troef is haar stem. Van mij zou het wel net iets avontuurlijker mogen, of met minder twang. Niet voor niets spreekt een ingetogen track als "Things Change" me het meest aan. Rose kiest hierin net niet voor de voorspelbare afslagen en bovendien excelleert haar stem. Dat zou ze meer moeten doen. Het contrast met het vlijtig huppelende "That's Allright" (een cover van een matig Fleetwood Mac-liedje) dat daarna volgt is behoorlijk groot. Beter is dan "New York City", dat opvalt door zijn mooie meerlagige zanglijnen. Het zijn deze songs die mij doen vermoeden dat er meer in deze jongedame zit dan er nu uitkomt op Own Side Now. Je mag namelijk niet zomaar optreden op GWO, Take Root en samen met Phosphorescent en Deer Tick…
File Under: Vage vermoedens
File Audio: [MySpace]
Ólafur Arnalds / Ólöf Arnalds
Toen de afgelopen maanden de namen voor de tweede editie van Into The Great Wide Open naar buiten kwamen was het een en al hoera-stemming. En terecht, want de line-up is een puike. Ik juichte net iets harder bij het lezen van de naam Ólafur Arnalds bij weer een nieuwe reeks aankondigingen in juli. Tot dan toe blonk ik namelijk vooral uit in het missen van zijn concerten. Ik besloot een recensie over zijn fijne nieuwe cd ...And They Have Escaped The Weight Of Darkness te bewaren tot het een dag of veertien voor het festival. Gewoon om mensen er op dat moment nog eens op te wijzen hoe fijn het was dat hij op zou treden op Vlieland. Want wat deze IJslandse jongeman laat horen is prachtig. Goed, het is eerder klassiek dan pop dat aan songs terug te vinden is op deze cd, maar ik zag mezelf al wel liggen in het gras op Vlieland met een strootje tussen de lippen terwijl ik luisterde naar Arnalds' uitvoeringen. Zijn veelal zachte pianoklanken horen oplossen in de Waddenwind. Waarbij ze gevlucht bleken te zijn in de troostende armen van de strijkers die op de cd ook zo fijn de melodielijnen ondersteunen en accentueren. Arnalds zou perfect op zijn plek en met zijn songs het hele veld welhaast kunnen hypnotiseren. De op het publiek neergedaalde kalmte zou onverwachte emoties oproepen. Zoals zijn landgenoten landgenoten Sigur Rós en Jóhann Jóhannsson dat ook zouden kunnen. De gedachte alleen al maakte me gelukkig.
Toen plofte er echter vorige week een andere enveloppe op de mat. Nou gebeurt dat hier dagelijks, dus op zich is dat niet zo opmerkelijk. Maar er in zat een cd van ene Ólöf Arnalds. En bij de bio stond dat ze op 4 september zou spelen op de Into The Great Wide Open. 'Ho! Stop!' dacht ik. Een beetje mijn zeepbel uit een laten spatten. Dat gaat zo maar niet. Ik googlede even en verdomd. Ik had een fata morgana gecreëerd voor mezelf. Niks geen Ólafur Arnalds op Vlialdn, maar Ólöf Arnalds. Waarschijnlijk is Arnalds net zo'n algemene naam op IJsland als De Vries hier in Nederland. Potverredikkie. Ik liep even te mopperen maar bedacht met toen dat ik toch ook een zwak had voor Scandinavische vrouwen. Dus wat kon er dan nog mis gaan? Niets toch? Ik luisterde Unnundir Skini. Ademloos. De titel betekent echt niet voor niets 'Onder je huid' in het IJslands. Wat een wonderschone plaat. Door Arnalds heb ik de laatste cd van Ane Brun ook maar weer eens van stal gehaald. En dat was niet omdat ik Innundir Skini pet vond, maar om even te fact checken of 'ie inderdaad niet onderdeed voor Changing Of The Seasons. En dat doet deze tweede cd van Innundir Skini dus ook bijna niet. Het is natuurlijk prachtig dat ze op "Surrender" hulp krijgt van niemand minder dan Björk. Haar stem is zelfs een puike aanvulling op de song, maar Arnalds redt zich ook wel in d'r eentje met alleen een banjo. Ondertussen heb ik haar eerste album Við og við (in IJsland uitgeroepen tot album van het jaar!) ook opgesnord. Die is wat kaler dan Innnundir Skini en minder divers. Wat volgens haar vooral komt doordat de tijdspanne waarin de songs geschreven zijn langer is. Ondertussen zag ik het helemaal zitten om dan maar met een strootje in mijn mond liggend in de wei luisteren naar Arnalds. Het effect zou anders zijn, het genieten zou blijven.
En toen las ik de blokkenschema's voor #GWO10. Potverredikke, ze staat er niet meer tussen. Afgezegd om onduidelijke reden. Heb ik weer.
File: Ólafur Arnalds - ...And They Have Escaped The Weight Of DarknessFile Audio: [MySpace][Þú Ert Sólin] [last.fm]
File Video: [Hægt, Kemur Ljósið]
File: Ólöf Arnalds - Innundir Skini
File Under: Over IJslanders die niet naar Vlieland komen.
File Audio: [MySpace]
Gayngs - Relayted
Een liedje rond een sample uit een andere song opbouwen, dat zie je natuurlijk regelmatig. Maar een heel album baseren op één song, dat is hoogst ongebruikelijk. Dat is bij Relayted, het debuutalbum van Gayngs, min of meer wel het geval. De song waar Ryan Olson, de grote man achter dit project, zich op stoelde was echter niet een met een kekke, lekker in het gehoor liggende snelle riff, maar “I’m Not In Love” van 10CC. Soms krijg ik bij het beluisteren van Relayted zelfs het idee dat Olson in alle songs op de cd wel een sample gebruikt heeft van de grote hit van deze jaren zeventig grootheden, maar de credits van de plaat zijn hier een beetje schimmig over. Enige uitzondering hierop is jaren-tachtig-kraker “Cry”, dat gewoon een cover is van het Godley & Creme-nummer. Waar deze song en “I’m Not In Love” echter een garantie waren voor een romantische schuifelpartij weet ik nog niet zo zeker of Relayted hetzelfde effect zal hebben. Daarvoor is Relayted veel te nerdy. Niet zo raar ook als je weet dat Olson uiteindelijk met een ruim twintig koppen tellend collectief tot het hier gepresenteerde kwam. Zo heeft hij voor de ijle vocalen onder andere de mannen van Megafaun en Bon Iver ingeschakeld. Dat is een garantie voor mooie zang, maar zorgt ook voor een soort van unheimisch gevoel. Dat is ook niet zo raar als een song als “The Gaudy Side Of Town” voorbij dobbert met een snelheid van misschien maar 50 BPM terwijl er iemand slo mo staat te beatboxen over abstracte elektronische klanken. Of neem “The Last Prom On Earth”, waarin Justin Vernon de vocalen voor zijn rekening neemt. Mierzoet, zijn stem gaat - heel fout - zelfs door de vocoder en geeft in combinatie met de songs bijna jeuk. Het maakt Relayted tot zo’n album dat je misschien niet goed zou moeten vinden, maar dat je stiekem ’s avonds toch weer uit de kast trekt, waarna je naar je wederhelft knipoogt en nog één keer voor het laatst met de ogen dicht samen schuifelt.
File Under: Ongemakkelijk schuifelen
File Audio: [MySpace] [Last.fm][Spotify] [The Gaudy Side of Town][Faded High]
File Video: [Cry]
Mark Olson - Many Colored Kite
D'r zijn een heleboel zangers waarvan de stem met de jaren donkerder en rijper wordt. Die van Mark Olson niet. Hij droogt op een hele andere manier op. Bij The Jayhawks had hij altijd al een beetje krakende snik in zijn stem. Maar nu hij richting de vijftig loopt gaat hij steeds meer klinken als je lievelings-lp die je zoveel gedraaid hebt dat het kraken onvermijdelijk is. Ik houd wel van deze manier van rijpen. Je hoort er zijn 'lijdensweg' aan af en dat waardeer ik, maar zure pruimen zullen het vast wel weer een zeurstem vinden. Tegenwoordig doet Mark het niet meer met Victoria Williams, maar met de zangeres van het Scandinavische Sailorine, Ingunn Ringvold. Goede keuze, want de heldere stem van haar is op Many Colored Kite een fijne aanvulling op de die van Olson. Hetzelfde geldt voor de zang van Jolie Holland ("Little Bird Of Freedom") en folk-legende Vashti Bunyan (“No Time To Live Without Her”). Ze steken bij elkaar af, maar vullen elkaar ook geweldig aan. Ringvold bespeelt naast dat ze zingt ook nog meerdere instrumenten. Daarvoor kreeg Olson ook hulp van Neal Casal (zelf ook geen koekenbakker). Het maakt Many Colored Kite een hele andere plaat dan de vorige cd The Salvation Blues die in diepe droefenis ondergedompeld was, en misschien daardoor ook wel wat minder. Maar ellende gun ik verder niemand. Bovendien levert de gevonden liefde ook mooie dingen op als "More Hours" waarin Olson en Ringvold elkaar op liefdevolle wijze het verlangen naar elkaar bezingen. Dat hoor ik net zo lief.
File Under: Liefde voor muziek (en voor elkaar)
File Audio: [MySpace][Spotify]
The Sword - Warp Riders
Als ik de verhalen mag geloven, dan was de editie 2010 van Lowlands een geslaagde. Maar ook een zonder verrassingen of openbaringen. Of ik heb niet goed opgelet. Helaas voor sommigen was het er ook een zonder een echte hardrockband. Natuurlijk valt Finntroll ook in de categorie hard, maar met hardrock bedoel ik een band als The Sword. Die waren echt wel op hun plek geweest op Lowlands. Helemaal nu ze met Warp Riders hun derde uitstekende plaat op rij uitgebracht hebben. De Texanen geven hierop wederom hun eigen draai aan goudeerlijke jaren zeventig en tachtig hardrock. Aan de hand van producer Matt Bayles (eerder achter de knoppen bij Mastodon en Isis) hebben ze hun geluid nog verder uitgediept. Deze keer hebben ze zelfs gekozen voor een concept-cd met een science fiction-thema over een boogschutter die verbannen is van een planeet waarvan de ene helft in eeuwigdurende duisternis is gehuld en het op de andere helft altijd dag is. Dat klinkt enger dan het is. Het is natuurlijk gewoon een gevecht tussen goed en slecht. Boeit verder ook niet zo dat thema. Het draait op Warp Riders namelijk vooral om de Grootse Riffs. Riffs die zich met gemak kunnen meten met grootheden als Judas Priest, Dio, Iron Maiden, maar ook bijvoorbeeld Rainbow. De stem van JD Cronise, een bastaardzoon van Ozzy die een ‘blanke’ draai geeft aan Phil Lynott, is misschien een beetje een vreemde, maar dat gaat natuurlijk prima samen met zware rifferij. Het moment suprême zit, zoals het hoort bij zo’n conceptalbum, natuurlijk in de epische afsluiter “(The Night The Sky Cried) Tears Of Fire” waarin alles bij elkaar komt. Het is wachten tot er iemand opstaat die dit verhaal van beelden gaat voorzien in een strip. Of beter nog in een film. En dan beiden samen uitvoeren op Lowlands 2011. Dat zou machtig zijn.
File Under: Hardrock met een hoofdletter H.
File Audio: [MySpace]
Jaill - That's How We Burn
De hoes van Jaills eerste cd op Sub Pop is er een uit de categorie hip. Hun muziek is dat veel minder. De vier bandleden schuren op That’s How We Burn dichter langs recht-zo-die-gaat pub rock, dan langs alles wat op dit moment hip is (hoewel ze in “Everyone’s Hip” verklaren dat iedereen stiekem hip is). Maar gelukkig hebben de vier uit Milwaukee ook een groot zwak voor Paisley Underground-bands. Het levert een interessante mix aan songs op. Waarbij de stem van zanger Vincent Kircher met zijn ietwat nasale sound wel eens de make-or-break-factor zou kunnen zijn voor menig luisteraar. Als de band voor een wat vollere sound kiest zoals in het strak en snel openende “The Stroller”, dan past dat overigens prima. Die song heeft wel wat van een mix van The Cult met Interpol weg. Als de liedjes wat ieler worden, dan zal de stem van Kircher eerder irritatie op kunnen wekken. Met elf relatief ongecompliceerde liedjes in tweeëndertig minuten is That’s How We Burn misschien wat aan de korte kant, voor de driftige psych-pop van Jaill is dat een prima lengte. Van mij had That’s How We Burn wel met een iets vollere sound opgenomen mogen worden. Nu rammelen vooral de gitaren van Ryan Ross en drums van Austin Dutmer wel heel gortdroog uit je speakers. Die hadden wel wat meer ruimte mogen krijgen, want dat ze hun instrumenten op een puike manier kunnen behandelen, dat hoor je namelijk wel donders goed.
File Under: Rammel-de-bammel-de-Paisley
File Audio: [MySpace][Everyone's Hip]
Wolf Parade - Expo 86
Concept-cd’s die handelen over een recente gebeurtenis, dat zie je niet vaak. Sterker nog, ik kan ze niet eens herinneren. Wolf Parade waagt zich er aan. Hun nieuwe gaat over de expo van 1986 die in Vancouver plaats vond. Die expo had als thema ‘Transport and Communication: World In Motion - World In Toch’. Je zou er heimelijk mijmerend over kunnen verhalen, Wolf Parade doet het met een juiste inslag. Dat ze daarbij qua sound ook wat meer terugkrijgen naar de eighties, da’s niet zo onlogisch. Je kunt er zonder moeite Joy Division in terughoren, maar ook de wat mindere folky periode van The Waterboys. Soms gaat het bijna te ver. Zo grijpen de synths van zanger/toetsenist Spencer Krug in “Oh You, Old Thing” bijvoorbeeld bijna letterlijk terug op de sound van Gary Numan. De basis blijft echter wel lekkere indierock, maar de songs zijn wel wat donkerder en klinken wat nerveuzer dan op de eerste twee platen van de band Het schrijven van songs doen Dan Boeckner en Spence Krug, de baasjes van Wolf Parade, nog steeds niet samen. Voor de totale sound maakt dit echter weinig uit. Ondanks het feit dat Expo 86 als een concept-cd de archieven in gaat, zijn de songs juist prima los van elkaar te beluisteren. Ik ben zelf wel gek van die licht-dramatische toon in de stem van Spencer Krug, maar ik kan me voorstellen dat die niet bij iedereen heel gemakkelijk valt. Helemaal als hij gaat zwabberen met zijn stem zoals hij wel heel nadrukkelijk doet in het afsluitende “Cave-O-Sapien” wat met zijn up-tempo duidelijk een vreemde eend in de bijt is. Dat kunnen ze beter over laten aan een band als Hot Hot Heat.
File Under: In the Direction of the Moon
File Audio: [What Did My Lover Say? (It Always Had to Go This Way)][Ghost Pressure][MySpace]
Porcupine Tree - Anesthetize
Normaal gesproken kun je vanuit de fotopit van de grote zaal van 013 uitstekend foto’s maken bij een concert. Da’s best fijn, drie nummers niemand tot last zijn en dan rustig weglopen en verder kijken vanuit de zaal. Ik dacht dat het wel goed zou komen toen ik vertraging had met de trein op weg naar het concert van Porcupine Tree in 013. Helaas dus. De pit was gevuld met filmcamera’s deze avond. Vanaf de zijkant probeerde ik er nog het beste van te maken in de tijd die ik nog mocht fotograferen. Dat viel niet mee, want ik vond het behoorlijk donker. Ik vreesde dan ook voor de kwaliteit van Anesthetize, de dvd die die avond en de avond erna opgenomen werd. Ik had duidelijk buiten regisseur Lasse Hoile gerekend. De lichtshow knalt niet hard en bezorgt je inderdaad geen zere ogen, maar Porcupine Tree komt zo, in het schemerdonker uitstekend tot zijn recht. Terwijl de band Fear Of A Blank Planet integraal speelt, switcht Hoile in precies het juiste tempo van podiumbrede views naar close-ups. Dat het geluid en de uitvoering dik in orde was, dat hoorde ik in 013 al wel, als Steven Wilson de mix verzorgt, levert dat nog een extra dimensie op. Niet alleen in 5.1 Surround, ook in gewone mensen stereo staat de band als een huis. Wat zo vanaf mijn bank gezeten nog meer opvalt, is dat Porcupine Tree nu ze (dixit Gr.R.) geen Pink Floyd-je meer spelen een geweldige rockband zijn geworden. Maak van dat geweldige overigens maar sublieme. Misschien zou Wilson nog wat meer de rockster uit mogen hangen, maar waarom zou hij eigenlijk? Dat zijn stem wat rauwer klinkt dan op cd, dat is wel genoeg. Hij krijgt bij zijn zang veelvuldig bijval van tweede gitarist John Wesley, die de perfecte aanvulling is aan de line-up van Porcupine Tree. Bijzonder portret op het podium blijft Richard Barbieri. Ik twijfel steeds of die man wel geniet, maar weiger te geloven dat ‘ie dat niet doet. Hij staat super geconcentreerd (of is het wel stoïcijns?) zijn ding te doen hoog achter in de hoek. Als na de FOABP-uitvoering de band de kleedkamer in gaat, gaat hij ook rustig door met aan knopjes draaien. Hij weet wel telkens weer die superbe sound uit zijn synths te toveren. In de encores die maar liefst mooi twaalf nummers duren, grijpt de band helaas niet verder terug dan tot songs van Signify. De keuze uit het aantal bovengemiddeld goede songs is ook bijna te groot als je het hele oeuvre van de band naloopt. Als ik uit de tweede helft nog prijsnummers aan zou moeten wijzen, dan zijn dat de afsluitende twee. De meesterlijke uitvoeringen van “The Sleep Of No Dreaming” (van Signify) en “Halo” (van Deadwing) laten nog eens goed horen waarom Porcupine Tree angstvallig hoog staat in mijn lijstje met favoriete bands ever.
File Under: Een puike avond in 013 subliem vastgelegd
File Audio: [MySpace]
Foals - Total Life Forever
Het is best jammer dat er niet wat meer Afrikaanse popmuziek doordringt tot onze contreien. Ik ga er tenminste van uit dat er wel degelijk zoiets bestaat als Afrikaanse popmuziek. En dan bedoel ik met popmuziek dus zwaar op Angelsaksische leest geschoolde songs die voorzien worden van Afrikaanse schwung. Ik ben er niet zo’n kenner van, maar verwacht dat je dan ongeveer uitkomt bij wat een band als Foals laat horen. Hun tweede cd Total Life Forever is weer een geweldige clash van westerse pop/rocksongs met Afrikaanse ritmes. Door het staccato gitaarwerk van Jimmy Smith, dat ook veelvuldig uitwaaiert richting postrock-achtige zandvlaktes, wordt dat gevoel alleen maar verder versterkt. Je zou alleen de zang van Yannis Philippakis nog moeten vervangen door die van een Afrikaan met kloek accent. Daarmee valt volgens mij een genre te creëren dat nóg breder aan zal slaan. Wereldwijd zou het tot kolkende massa’s op festivalweides kunnen leiden. Nu zal de hypnotiserende pop van Foals dat vooral op Westerse festivals doen. Het knappe aan Total Life Forever is dat ze dat grotendeels niet voor elkaar krijgen met behulp van voor de hand liggende uptempo beats, maar door midtempo songs. Juist dat geeft Foals wat bijzonders. Een rappe single als “This Orient” vind ik zelfs een van de mindere songs op deze opvolger van Antidotes, al verbaas je je er aan het einde wel over dat je boven de vloer zweeft in plaats van dat je er over loopt. Dat soort sluimerende verrassingen zit in elke song verpakt. Gegoten in een sublieme productie (gedaan door voormalig Clor-lid Luke Smith) is deze tweede plaat een flinke stap vooruit.
File Under: Dance the night away
File Audio: [MySpace][Last.fm]
File Video:[Miami][Spanish Sahara][This Orient]
Jesca Hoop - Hunting My Dress
De vrouwen in mijn cd-collectie zijn grofweg in twee helften op te delen. Of ze zijn Scandinavisch (en vaak lief), of ze zijn grillig en onberekenbaar. De pronkstukken combineren logischerwijs die twee zaken. Jesca Hoop is dan wel niet Scandinavisch, maar ze combineert grillig en onberekenbaar wel verdomd goed met lief. Ik houd daar wel van. En ik niet alleen. Ik keek er van op dat ze zowel in het voorprogramma gestaan had van Elbow en Andrew Bird als van Mark Knopfler. Dat kon ik niet echt met elkaar rijmen. Net zoals ik haar niet gelijk als een nanny zou zien. Toch was ze een tijdje het kindermeisje van Tom Waits en Kathleen Brennan. Maar wie haar op het podium aan het werk gezien heeft met haar rare houding en rare praatjes tussen de nummers, zal mijn verbazing over dat nanny-schap begrijpen. Waits is ook zo'n beetje haar mentor en Elbow's Guy Garvey ook een groot fan. Op haar tweede cd Hunting My Dress kun je hem ook terughoren in het wonderschone "Murder Of Birds" waar hij de tweede stem doet. De tekst en het lichtvoetige van de song stroken ook hier niet met elkaar. Dat heeft ze vaker op Hunting My Dress. Soms doet Hoop me duidelijk aan PJ Harvey denken, maar d'r lichtere zijde gaat de Scandinavische kant op, af en toe fröbelt ze ook als My Brightest Diamond. Hunting My Dress wordt hierdoor nooit een eentonige singer-songwriter plaat, waardoor je van een bijna klassieke akoestische folksong als "The Kingdom" extra geniet. Gezien haar grilligheid zou ik niet durven voorspellen hoe haar optreden op Lowlands uit zal pakken. Wat ik wel weet is dat áls ik een kaart gehad had, ik zaterdag om 13:00 in de Lima zou staan.
File Under: Wonderlijke vrouwen.
File Audio: [MySpace][Last.FM]
File Video:[The Kingdom]
Hot Hot Heat - Future Breeds
Ik houd Storm Junior ver uit de buurt van Coca Cola of van energieboosters die voor het grijpen liggen voor kinderen in de supermarkten. Niet alleen vind ik het ongezond je kind vol te gieten met die troep, ik heb ook gezien wat het met hem doet als hij het wel krijgt. De Tazmanian Devil is er niets bij vergeleken. Het zou me niets verbazen als Hot Hot Heat dezelfde invloed op hem zou hebben. Deze Canadezen schudden nu al enkele albums lang popliedjes van het meest aanstekelijke en uptempo soort uit hun mouw. Ik snap eerlijk gezegd niet dat ze niet de stap hebben kunnen maken naar pak ‘em beet de Alpha of Grolsch op Lowlands. Al zou het wellicht kunnen komen doordat de band rond de jachtige frontman Steve Bays het zijn luisteraar, ondanks het heerlijke uptempo stiekem helemaal niet zo gemakkelijk maakt. Bays is wellicht net te nerdy en de songs op Future Breeds zijn ook (weer) net te eigengereid. Toch zijn liedjes als het bijna huppelende “YVR” of de speedboot “Implosionatic” totaal onweerstaanbaar. Als je Devo en The Sparks met The Clash in een oefenhok zou gooien, dan zou dit het stuiterende resultaat kunnen worden. Bijna alle songs op Future Breeds zijn energiebommetjes die opgewekt lijken te worden uit venijnige stekelige elektroshocks. De drang om je lichaam in beweging te brengen is moeilijk te weerstaan. Waarom zou je dat eigenlijk ook proberen?
File Under: Beter dan welke sportdrank dan ook
File Audio: [MySpace][Spotify][Last.fm]
File Video: [21@12]
Neil Cowley Trio - Radio Silence / Amos Hoffman - Carving
Zou Neil Cowley het zelf als een compliment zien als de muziek die hij maakt met zijn trio ‘jazz voor Radiohead-fans’ genoemd wordt? Ik denk het niet, maar als ik luister naar hun nieuwe cd Radio Silence, dan snap ik de link eerlijk gezegd niet altijd. Aan de ene kant heeft de het trio op Radio Silence wel hetzelfde soort bokkige grillen als Radiohead ook met grote regelmaat heeft in zijn songs, maar het is ook weer niet zo dat Radiohead hier als enige patent op heeft. Aan de andere kant zou ik Thom Yorke best eens tekeer willen horen gaan in een song als “Vice Skating”. De dynamiek van de song zou zich uitstekend lenen voor een “Everything In It’s Right Place”-achtige zanglijn. Sowieso komen Neil Cowley, Richard Sadler (bas) en Evan Jenkins (drums) niets tekort als het om dynamiek in hun songs gaat. Hun jazz kiest allesbehalve voor het lome, voorspelbare en gemakkelijk naar binnen glijdende, maar ook niet voor de piep-knor-variant, maar schippert heen en weer tussen de twee. En dat is best prettig. Zo is het titelnummer best smooth, maar in de zes minuten die het duurt variëren de drie bandleden, zonder van de hak op de tak te springen, zoveel dat er geen moment komt waarop je in slaap dreigt te kakken. Centrale spil hierin is het pianospel van Cowley die als een jong veulen langs de drums en bas van zijn twee kompanen dartelt die hem als groepsoudsten proberen te leiden en te sturen.
Amos Hoffman is lijkt in eerste instantie ook redelijk traditioneel. Goed, de Israëlische gitarist kiest op Carving dan wel niet voor een vast trio, zijn sound is in het openingsnummer toch zeker Nick Vollebregts Jazzcafé waardig. Zijn gitaarloopjes zijn in het openingsnummer “Monique” smooth, helder en voorspelbaar, de bijvallende dwarsfluit, volgt hem als een trouwe loebas en doet netjes wat zijn baas voorschrijft. Dat wordt een lange zit, dacht ik. Maar dat blijkt uiteindelijk gelukkig mee te vallen. Gelijk het volgende “Brown Sugar” laat hij zijn gemakkelijke gitaarklank los en kiest voor de traditionele Oud om zijn snarenkunsten te vertolken. Dat geeft zijn songs gelijk een hele andere dimensie. Voeg daarbij de sprankelende percussie van Itamar Doari en je waant je in een keer helemaal niet meer in Laren, maar in het Midden-Oosten. De afwisseling tussen gitaar en Oud en Westers en Oosters houdt je vervolgens scherp genoeg om geboeid te blijven luisteren naar Carving, waarbij ik Oosterse songs zelf het meest boeiend vind. Toch kan ik moeilijk ontkennen dat Hoffman in ingetogen en gloedvolle “A Minute To Smell The Flowers” zich een meester toont in het cool and collected bespelen van zijn elektrische gitaar, maar ik houd er nou een keer meer van dat ze buiten de lijntjes kleuren dan er binnen.
File Under: Dartelende jazz
File Audio: [Cowley-fm][MySpace]
File: Amos Hoffman - Carving
File Under: Met Oosterse invloeden doorspekte jazz
File Audio: [MySpace]
Demians - Mute
Dik twee jaar terug verraste Fransman Nicolas Chapel met zijn, geheel en al alleen, in elkaar geknutselde progrock-cd Building An Empire die hij uitbracht onder de naam Demians. Dat solitaire knutselen beviel hem volgens mij beter dan de tournee met band die daar op volgde, want zijn nieuwe cd Mute heeft hij weer helemaal in zijn uppie opgenomen. En wederom is het een ijzersterk album geworden, dat wat harder uitgevallen is dan zijn voorganger. De manier waarop Mute start met eerst “Swing Of The Airwaves” en vervolgens “Feel Alive” is geweldig. De eerste klinkt als een onheilspellend onweerswolken waar geen ontkomen aan is. Van links en rechts pakken de logge gitaar- en baspartijen je in, maar tot een wolkbreuk lijkt het maar niet te komen. Slim vlecht Chapel ‘jankende’ post-rockgitaren door de song om het naderende onheil nog wat aan te zetten. Dat je droog blijft mag een wonder heten. Dat lukt in het volgende “Feel Alive” niet. Daar dendert Chapel op Last Crack-achtige wijze imposant en maniakaal over je heen en gaat na het rustige tussenstuk helemaal los. Daar helpt zijn bonkige manier van drummen (je kunt als solo knutselaar natuurlijk niet alles even goed) is hier voor de afwisseling in zijn voordeel. Het is fijn dat je na deze songs even op adem kunt komen in het meer ingetogen en met strijkers gelardeerde “Porcelain” en de in eerste instantie mee pianogeoriënteerde ballad “Black Over Gold”. Maar ook hier broeit het. Die continue dreiging zou je naar het einde van Mute toe kunnen gaan ervaren als vermoeiend, ik vind dat Chapel aan de goede kant van de streep blijft. Het pleit voor hem dat hij in zijn eentje probeert de grenzen van de progressive rock op te zoeken. Mute is hierdoor geen eenvoudig te doorgronden album geworden, maar wel eentje die je als luisteraar scherp houdt.
File Under: Puikke Prog
File Audio: [MySpace] [Spotify][Last-fm]
Shannon Stephens - Shannon Stephens
Eigenlijk had Shannon Stephens misschien wel de mythe rond haar lastig verkrijgbare plaat uit 2000 in takt moeten laten. Ik bedoel: hoe vaak gebeurt het dat een zangeres na een erg positief ontvangen album er voor kiest om alleen maar voor haar gezin te gaan zorgen in plaats van te proberen brood op de plank te krijgen met het maken van muziek. Maar een jaar nadat ze na negen jaar zorg voor haar gezin weer koos voor een openbaar bestaan als muzikante en op de proppen kwam met het prachtige The Breadwinner, verschijnt nu gelukkig toch een heruitgave van haar debuut-cd. Deze nam de zangeres op samen met de bandleden van de band Marzuki waarvan de indie-folk in de jaren 90 een klein beetje furore maakte. Daarin zat naast Matt Haseltine en Jamie Kempkers ook iemand die luisterde naar de naam Sufjan Stevens. Inderdaad dé Sufjan Stevens. De debuut-cd van Stephens kenmerkt zich door mooi klein gehouden folksongs waarbij ze niet per sé de gebaande wegen betreedt, maar ze ook niet ontwijkt. De basis is toch overal wel een vrouw met d’r gitaar. Haar stem is zacht en zoet, maar klinkt soms ook getourmenteerd. Wat dat betreft verbaast het me niet dat Will Oldham een song (“I’ll Be Glad”) van Stephens opnam voor zijn album Lie Down In The Light. Die twee sluiten prima op elkaar aan. Net zoals je niet kunt ontkomen aan het noemen van de naam van Nick Drake. Als hij een vrouw geweest was, dan had Drake zo geklonken als Stephens in “So Gentle Your Arms”.
File Under: Gelukkig weer verkrijgbare debuutplaten
File Audio: [MySpace] [Catch The Morning Line]
Off With Their Heads - In Desolation
Het lijkt de laatste jaren meer uitzondering dan regel te zijn dat Epitaph een fatsoenlijke punkplaat uitbrengt naast die van Bad Religion zelf. Met Off With Their Heads heeft het fameuze label eindelijk weer eens een echte goede punkband gescoord. Brett Gurewitz zal natuurlijk niet snel iets negatiefs over zijn eigen signings zeggen, maar gezien zijn ronkende woorden ‘Off With Their Heads might be the best punkband going right now, Epitaph needs them; Music needs them’ zag Gurewitz zelf ook wel in dat het wel weer eens tijd werd dat Epitaph een goede streetcredible punkplaat uitbracht. En dat is In Desolation, de tweede plaat van deze band uit Minneapolis, zeker weten. Snel opgenomen na een periode van dik twee jaar op tournee zijn, maar dat kan voor een band als Of With Their Heads. De lange reeks optredens heeft de band namelijk allesbehalve uitgeblust. Dat maakt openingstrack “Drive” wel gelijk duidelijk. Lekker staccato, rap gitaarwerk dat in combinatie met het rauwe stemgeluid van Ryan Young en de rollende bas Robbie Swartwood geven gelijk een goede energiekick. Je hoort er de drang naar het podium aan af. Fijn is ook dat er voor gekozen is de boel niet zo smooth mogelijk te laten klinken. Daardoor krijg je bij de meer ingetogen songs nooit de neiging het labeltje poppunk er op te gaan plakken. Zelfs niet in een ballad als “My Episodes”. Het is niet zo dat Off With Their Heads met In Desolation de punkscene op zijn kop gaat zetten, een puike punkplaat is het echt wel.
File Under: Punk
File Audio: [MySpace]
The Mynabirds - What We Lose In The Fire We Gain In The Flood
Ik heb het toch maar eens opgezocht, hoe groot Omaha nu wel niet is. Want het is toch wel wonderbaarlijk hoeveel bandjes Saddle Creek, het label van Conor en Justin Oberst, elke keer weer op weet te snorren daar in de omgeving. Iets meer dan 400000 mensen schijnen er te wonen. Da's dus ergens tussen Den Haag en Utrecht in. Qua afgeleverde bands had ik een grotere stad verwacht. The Mynabirds is namelijk de zoveelste fijne band uit Omaha. Aan het roer staat de frêle Laura Burhenn. Haar stem hangt het gros van de tijd tussen de klassieke souldames uit de Stax- of Motown-stal en Pretenders-frontvrouw Chrissie Hynde. Dat bevalt mij wel. Muzikaal vist ze geregeld in de soulhoek. Toch doet een song als "Ways Of Looking" mij door zijn ritme weer heel sterk denken aan "Glory Days" van Bruce Springsteen, maar dan wel in een Velvet Underground jasje. Sowieso heeft debuut-cd What We Lose In The Fire We Gain In The Flood in veel songs een reminder aan bekendere liedjes uit goede tijden. En dat ontkent Burhenn ook niet. Haar streven was om een plaat te maken die voelde als Neil Young die Motown doet en daar is ze wat mij betreft uitstekend in geslaagd. Zo is "Give It Time" echt een sublieme ballad. Ook de andere ballad die meer naar het einde toe staat, "Right Place" scoort hoge ogen. Het zijn natuurlijk niet de enige hoogtepunten van een indrukwekkende plaat. Heerlijk is bijvoorbeeld ook het dwepende, met toeters doorspekte "We Made A Mountain". Enige teleurstelling voor mij aan the Mynabirds is dat ik er uiteindelijk achterkwam dat Burhenn helemaal niet uit Omaha komt, maar uit Washington DC. Dat doet echter niets af een de algehele fijnheid van deze cd.
File Under: Right place
File Audio: [MySpace]
Mint - Hits From Her Laser
De leidraad voor een stukje over een plaat hier is ongeveer 250 woorden. Het mag een paar meer of minder, maar dat aantal ervoer ik zelf als ideaal. De verleiding is af en toe groot om er veel meer neer te kalken, maar vaak is dat overbodig om de boodschap over te brengen. Voor een geluidsdrager als een cd geldt precies hetzelfde. Je hebt dan wel 75 of meer minuten tot je beschikking, maar nergens staat toch dat je die tot het randje moet vullen? Denk na over wat je doet, dik in, snij overbodige songs of passages weg. Mint-frontman Erwin Marcisz heeft dat goed begrepen. Voor Hits From Your Laser, het nieuwe album van de band, gebruikt hij maar een paar meer dan dertig minuten. Het maakt de cd to the point als Guided By Voices en Pavement in hun goede tijd en - misschien wel net zo belangrijk - het maakt je als luisteraar hongerig. Marcisz weet namelijk hoe je mooie liedjes maakt. Check het ragfijne “Second Hand Store”, een heerlijk nonchalant indiepopliedje dat door het effectief inzetten van synthesizers een typische jaren-80 gloed krijgt. Bijzonder vind ik dan, dat tijdens het ‘comprimeren’ van het album een kort dromerig instrumentaaltje als “Theme From Leoni” overeind blijft. Maar het staat halverwege de plaat, precies op de juiste plaats. Helemaal omdat het gevolgd wordt door het zalige “Wine Lips”, waarin over een Verve-achtige melodielijn de samenzang iets bijna Everly Brothers over zich heeft. Een liedje dat je mist zodra het voorbij is.
File Under: Karig belegde volkoren boterhammen zijn het lekkerst
File Audio: [MySpace]
Sleepy Sun - Fever
Elke morgen gewekt worden door een zich het zand van Klaas Vaak uit de ogen wrijvende zon, ik zou er best wat voor over hebben. Het zit er hier in Nederland, helemaal als ik aan het werk ben, eigenlijk helemaal niet in. Maar de twee weken op vakantie genoot ik elke morgen vroeg weer van de begroeting van de zon die zijn kruin boven het maaiveld uitstak en gelijk begon te vlammen. Daarom koester ik de psychedelische rockers van het Californische Sleepy Sun ondertussen ook zo. Bij de openingsnoten van hun tweede cd Fever branden de fuzzy gitaarklanken gelijk als een hoogtezon op je huid. Om je vervolgens na een korte periode van gewenning weg te laten dromen op de slepende klanken van Bret Constantino (wat rauwer) en Rachel Fannan (kristalhelder), die om elkaar heen dansen als een zich langzaam ontvouwende bloem om vervolgens in een hippy dans on fuzz te culmineren. Dat is nog eens ontwaken, zeg ik u! Herinneringen aan vervlogen tijden in een nieuw jasje, da’s waar Sleepy Sun in excelleert. Neem het meer akoestische “Rigamaroo”, dat in de verte wel wat weg heeft van Fleetwood Mac. Maar het gros van de songs op Fever is veel meer psychedelisch, met vaak vooral erg fijn gitaarwerk van Matt Holliman en Even Reiss. Maar onderschat de drummer en bassist ook niet. Zij nemen in “Freedom Line” het opzwepende voortouw waardoor de rest van de band het op de heupen krijgt en uiteindelijk in het volgende en afsluitende “Sandstorm Woman” je het zand van Klaas Vaak weer in de ogen waait. Een tien minuten durend bluesy opus waarin de band nog een keer laat horen dat er op dit moment qua psychedelische seventies bands bijna geen betere is te vinden dan Sleepy Sun.
File Under: Trip
File Audio: [MySpace]
File Video: [Open Eyes]




