Bob Mould

Bob Mould (53) heeft beduidend meer paden bewandeld dan de gemiddelde rockster van begin vijftig. Hij groeit op in een turbulent middenklassegezin in Malone, een ijdel plaatsje in New Jersey. Al vroeg ontdekt Mould dat hij uitsluitend op mannen valt: iets wat zijn vader, een nukkige alcoholist, naar alle waarschijnlijkheid moeilijk zal accepteren. Toch is het zijn vader die voor het eerst een gitaar in Bobs handen drukt. Het horen van The Ramones inspireert Mould als tiener zijn oude leventje voorspoedig achter te laten.
bobmouldBR.jpg
Tijdens zijn studie in Minnesota ontmoet hij vrijpostige slacker Grant Hart (zang/drums) en later snormans/chefkok-in-spé Greg Norton (bas). Zodoende het invloedrijke post-hardcore trio Hüsker Dü, destijds notoir als de destructiefste, luidste band op deze aardkloot, een oerschreeuw overladen achter een orkaan van genadeloos gitaar, bas en drumgeweld. Het is de ultieme uitlaatklep voor Moulds opgekropte zelfhaat en wanhoop.


mij=Interview: Jasper
De nietsontziende tour de force van de Dü vormt een bakermat voor een nieuwe generatie streberige punk kids, die op hun beurt weer komende generaties inspireren. Ene Charles Michael Kittridge Thompson IV besluit zelf een bandje te beginnen: “Must be into Hüsker Dü”, schrijft hij attent in de advertentie. Mould raakt intussen steeds gedesillusioneerder. Tot sint juttemis slapen onder Henry Rollins’ bureau en jezelf aftakelen door drank en drugs is niet meer aan hem besteed. Een ontluisterende overgang naar Warner Bros, onderlinge argwaan tussen de bandleden en de tragische zelfmoord van manager David Savoy doet Hüsker Dü na tien jaar abrupt de das om.
Eenmaal nuchter en klaar met de Hüskers, vind Mould zichzelf begin jaren negentig opnieuw uit met de beknopte gitaarpop van Sugar. In het kielzog van Nirvana (en later Foo Fighters) opererend krijgt hij met Copper Blue eindelijk erkenning alom. Eindelijk de apotheose: Mould is zelfs verantwoordelijk voor een van de meest iconische showtunes van de afgelopen twee decennia. En toch…tóch mist er nog iets substantieels in het leven van Robert “Bob” Arthur Mould.
De gewaarwording en omarming van zijn seksuele identiteit beproeft Mould pas vanaf zijn 38ste levensjaar. Hij verdiept zich in de vele gay-subculturen en integreert twee frisse creatieve vehikels in zijn nieuwe leefstijl: zijn danceproject Blowoff en DJ-pseudoniem LoudBomb (een anagram van zijn echte naam).
In zijn memoires See A Little Light: The Trial of Rage and Melody schrijft Bob Mould de laatste demonen om zeep. Hij lijkt na al die jaren kniezen het juiste evenwicht te hebben gevonden. Zijn vorige soloplaat Silver Age voelt dan ook als een nieuw hoofdstuk, vergelijkbaar Sugars briljante Copper Blue twintig jaar eerder. Het duurt echter niet lang voor het noodlot opnieuw toeslaat. Beauty & Ruin vat een bewogen laatste twee jaar samen, een album met veel muzikale knipoogjes naar eerder werk.
File Under schuift bij Mould aan tafel voor een openhartig gesprek over Beauty & Ruin en meer.
Ik heb See A Little Light: The Trial of Rage and Melody inmiddels besteld. Wat moet ik in ieder geval weten voor het lezen?
‘Ik wed dat je de muziekpassages waarschijnlijk prima snapt. Het boek brengt daarom veel dingen aan het licht waar ik vroeger niet of nauwelijks over durfde te praten. Mijn jeugd, mijn familie, mijn persoonlijke en professionele relaties. Door al die verschillende facetten van mijn leven samen te brengen, begreep ik pas waarom mijn muziek klonk zoals het deed. Dat ervoer ik als positief.’
Hoe was het om opnieuw aansluiting te vinden met het verleden? Zwaar?
‘Nee hoor, dat ging prima. Wanneer ik mensen benaderde om bepaalde gebeurtenissen voor de geest te halen, kreeg ik echter verschillende versies van hetzelfde verhaal. Natuurlijk was er enige overlapping, maar de manier waarop vier mensen een situatie persoonlijk ervoeren…alle vier compléét anders. Ik dacht toen meteen: “Oh my god.”‘ (rust terneergeslagen de hand boven het hoofd)
Trok je zelf een conclusie of dacht je, laat ik bij twijfel vertrouwen op mijn eigen beleving?
‘Dat laatste. Het is onmogelijk af te wegen welke kant van het verhaal je nu moet geloven. Gestóórd! Uiteindelijk bleek het een interessante les over wat ‘de waarheid’ nu wel niet is. Ik hoefde in ieder geval niet opnieuw in de Hüsker Dü-catalogus te duiken. Die muziek zit best diep in mijn bewustzijn gegrift. Opnamesessies reconstrueren was wel weer lastig: ik was óf aan de drank óf ging zo resoluut te werk dat ik mijn gevoelens niet kon vastpinnen. Soms besef je naderhand pas wat je precies hebt gecreëerd.’
Hüsker Dü was misschien wel de eerste band die zich zowel spijkerhard als extreem kwetsbaar durfde op te stellen.
Not only did we invent hardcore, we invented EMO! (lacht) Nee, geintje! Ik kan onze ontwikkeling nu duidelijk zien. Bij Metal Circus waren we dat no nonsens ‘fuck you met je punk rock-politics’-bandje. Zen Arcade was een rockopera: kijk ons eens quadrafonisch zijn! Flip Your Wig was onze interpretatie van The Beatles, we wilden toen een echte popplaat maken. En New Day Rising…nummers als “Celebrated Summer”, “Perfect Example” belichamen juist onze coming of age.’
Heb intussen wat recensies en comments over je memoires gelezen. Wat ik daaruit opmaak is dat jij het boek grotendeels schreef vanuit de interne beleving van toen, in plaats van je ervaringen te relativeren binnen de context van nu.
‘Precies, ik leg slechts vast hoe ik mezelf herinner! Het is de bedoeling dat mensen een natuurgetrouw beeld krijgen van de persoon die ik destijds was. Dus ook de momenten dat ik het spoor compleet bijster was, mezelf haatte en de radicale maatregelen die ik nam om controle over mijn leven te handhaven, snap je? Alles wat ik onderging komt in dit boek aan bod. Vaak dingen waar ik niet trots op ben. (lacht schamper) Als ik dan comments lees die beweren dat ik zo’n enorme egotripper ben…hell yeah! Destijds was ik dat zonder meer, natuurlijk! Maar de persoon die ze bekritiseren is de persoon die ik wás, niet de persoon die ik ben geworden.’
Veel negatieve comments zijn gericht op de afgunst jegens jouw voormalige Hüsker Dü-collega’s Grant Hart en Greg Norton.
‘Ik ben op bepaalde momenten absoluut gemeen tegen Greg, maar absoluut niet tegen Grant. Toen ik met Michael Azerrad (popjournalist en oprichter van The Talkhouse) aan het boek werkte, vroeg hij me na het aanleveren van de teksten telkens weer: “Okay, Bob, wat mijd je hier nu precies? Er is toch onenigheid tussen jou en Grant? Waarom lees ik dat er hier niet in terug?” Aan het einde van het schrijfproces dacht ik bij mezelf (mompelt zachtjes): “Is DIT het slechts?” (lacht) Ik kon het niet…ik bedoel, het zijn slechts kleine incidenten geweest die het vuur wellicht deden aanwakkeren. Maar verder niks extreems. De afgelopen twintig jaar geloofde ik steeds wat anderen mij in het oor fluisterden. Dat er een groot probleem was tussen Grant en mij waar eigenlijk nooit sprake van is geweest. Ik kon het alleen nooit goed onder woorden brengen. Het valt uiteindelijk reuze mee.’
Twee platen waar je de afgelopen twee jaar mee toerde zijn Sugars Copper Blue en je eerste soloplaat Workbook. Beiden transitie-albums waar je de creatieve controle herstelde. Waarom juist die twee platen?
Die twee platen behoren simpelweg tot mijn beste materiaal. Samen met Zen Arcade zijn dit ook de meest besproken platen waar ik aan heb gewerkt. Copper Blue kwam uit in 1991: ik vertrok bij Virgin na twee soloplaten (Workbook en Black Sheets Of Rain) geleverd te hebben. Ik spendeerde een jaar aan het schrijven van liedjes. Vervolgens deed ik een aantal akoestische try outs om te kijken wat wel en niet werkte . Dat was een mooie tijd, ik voelde mij toen compleet autonoom. Ik bouwde zelf weer iets op. Nevermind van Nirvana legde toen het fundament, waardoor alles plotseling precies op zijn plek viel. Copper Blue blijft een van mijn favorieten, die liedjes zijn gewoon te gek! Workbook betrof een totaal andere situatie. Toen het doek viel voor Hüsker Dü in 1988 zonderde ik me een jaar lang af op een boerderij in Minnesota. Geen optredens, geen bezoek van vrienden. Ik wilde de muziek – puur voor mezelf – herontdekken. Die plaat klinkt ook alsof je je in diepe isolement verkeert.’
Je speelde Beauty & Ruin voor het eerst integraal tijdens SXSW dit jaar. Hoe beviel dat?
‘Twee shows, inderdaad. Het ging bijzonder goed! Zodra het publiek doorhad wat voor tafereel zich precies voordeed, werd er verbaasd gereageerd. De laatste keer dat we op SXSW speelden konden ze elk liedje meezingen. Dit keer speelden we uitsluitend nieuwe muziek, dus iedereen stond er een beetje perplex bij. We hadden het ook niet aangekondigd! Op die manier wilden we naar buiten brengen dat er een nieuw album op komst was. ‘
Best benieuwd naar jouw mening over hoe dat festival zich de laatste paar jaar heeft ontwikkeld. Eerst was het louter een viering van independent muziekcultuur. Hoe heb jij die verschuiving naar commercie ervaren?
‘Het ontwikkelde slechts stapsgewijs vanaf de jaren negentig. Pas de laatste drie, vier jaar is het enorm snel geëscaleerd. Ik woonde in de jaren negentig in Austin en gaf in 1995 de Keynote Speech, toen het nog een kleinschalig en independent evenement was. Austin is sowieso erg veranderd als stad. En vergeet niet, de muziekindustrie is de afgelopen tien jaar ook ontzettend veranderd. Tegenwoordig kun je maar moeilijk rondkomen van muziek. Corporaties merken dit en werven tegelijkertijd een potentieel groot publiek aan wie ze van alles kunnen verkopen. Dus stappen ze in het speelveld om te zeggen: “Hey, wij kunnen jullie helpen het festival staande te houden.” De marktwerking heeft het voortouw overgenomen en dat is jammer genoeg een natuurlijke progressie. Je ziet het overal. Het is spijtig dat zoiets nooit meer terugkeert naar wat het ooit was. Het goede nieuws is dat er genoeg welwillende mensen zijn die met iets nieuws komen.’
Je begon je loopbaan bij het inmiddels opgeheven, maar nog altijd invloedrijke label van Black Flag-gitarist Greg Ginn, SST Records. Tegenwoordig zit je bij Merge Records, dat beheerd wordt door Mac McCaughan en Laura Ballance van Superchunk. Past Merge Records dergelijke blauwdrukken van vroeger toe in het hedendaagse muziekklimaat?
‘Ik denk het wel. Ik geloof graag dat Mac en Laura die oude modellen bestudeerd hebben. No Age werkt bijvoorbeeld heel trouw aan het SST-model, met een eigen clubje in LA rondom The Smell. Zij doen dat fanatieker dan de rest. Ze hebben zelfs een compilatie uitgebracht met instrumentaal SST-materiaal!’
Hoe was het om met No Age te spelen tijdens je tribute avond (naast No Age deden o.a. Dave Grohl, Ryan Adams, Spoon en The Hold Steady mee, red.) in Walt Disney Hall? Ze deden best een aardige Hüskers-impressie…
‘Fantastisch! Het zijn ontzettend aardige lui. Wat No Age doet gaat verder dan alleen de muzikale vergelijking. Het is vooral hun mentaliteit: laten we een eigen label beginnen, vrienden betrekken en een eigen identiteit vormen Dat is wat wij destijds bij SST ook deden. Als ze hun geluid van Hüsker Dü afleiden is dat slechts een klein onderdeel van het complete grondbeginsel.’
Veel artiesten brengen tegenwoordig uit eigen initiatief muziek uit via streamingdiensten als SoundCloud. Zie jij nog meerwaarde bij independent labels in Amerika?
‘Ja. De mensen die de goede indielabels in Amerika runnen zijn óf fanatieke muziekfans óf, in Mac en Laura’s geval, zelf muzikant. Ze noemen het niet voor niets een ‘label’: je duidt niet alleen de artiest, maar ook het publiek dat aanhaakt. De een is Merge-fan, de ander Sub Pop-fan. Je schept een klimaat van onderling vertrouwen door middel van een kwaliteitsstempel. Muzikanten die een label runnen hebben over het algemeen een goed oor. Je kan als band zijnde dan nog zo goed spelen, discipline en motivatie zijn net zo doorslaggevend voor succes als de muziek. Met die criteria ben je wat mij betreft een goed label. Major labels stellen dan weer compleet andere eisen: muziek is slechts een minuscule bijzaak binnen het grote plan. Die kijken liever naar muzikanten die misschien later acteren in een Hollywoodfilm of een eigen reality TV serie beginnen. Op majors is de artiest het gemeengoed terwijl indielabels slechts toewerken naar de muziek en het eindproduct. Wanneer je met een label in zee gaat moet je afwegen liever een grote vis in een kleine vijver wil zijn of vice versa. Dat is door de jaren heen in ieder geval niet veranderd.’
In bijzondere gevallen vangt een klein indielabel onverwachts een te grote vis. De band ontgroeit het label wegens een te groot draagvlak voor de distributie en promotie. De Hüskers ondervonden dit ten lijve met Zen Arcade.
(hoofdschuddend) ‘Pas bij Zen Arcade ontstond er brede belangstelling voor Hüsker Dü. New Day Rising kwam relatief snel tot stand en Flip Your Wig…Warner wilde vooral die plaat héél graag uitbrengen. Wij voelden ons echter nog verschuldigd aan SST om nog een plaat met hen te doen. SST had hun zaakjes structureel goed in orde, tot er op een gegeven moment teveel albums tegelijk kwamen. Ik moest altijd een beetje lachen om die hele anti-corporate instelling van ze, want SST vroeg zelf onderbewust helemaal niet om het succes dat het uiteindelijk behaalde. Wij, Sonic Youth, Meat Puppets…iedereen vertrok op een gegeven moment, omdat we gewoon een grotere markt bereikten. Dat terwijl SST koppig vastklampte aan het kleinschalig en anti-establishment willen blijven. Ze lieten bijvoorbeeld nooit airplay op de radio toe. Hüsker Dü moest dus verder. De vraag die ik altijd stel aan mensen die over SST beginnen: SST preekte altijd “corporate rock sucks”…(pauzeert en spreekt nauwgezet verder) maar was het niet Black Flag die zich verkaste naar een major (Unicorn/MCA, red.)? Greg Ginn maakte dus zo zijn eigen regels…(lacht)
Op de hoes van Beauty & Ruin zie je een recente foto van jezelf overlappend met een oude foto uit de prille Hüsker Dü-jaren. Wat wil je hier precies mee vertellen?
‘De cover-art was een pure gelukstreffer. Na twee maanden opnemen speelde ik met wat ideetjes in mijn hoofd. Beauty & Ruin is namelijk een album vol contrasten. Eerst wilde ik een digitale illustratie gebruiken van een Japanse kunstenaar, maar kreeg geen reactie toen ik hem per mail om toestemming vroeg. Het was een digitale schilderij van een tiener die er nogal gehavend uitzag. Ik vond dit zodanig indrukwekkend dat ik iets soortgelijks wilde doen, zonder het bronmateriaal schaamteloos te kopiëren. Dus ik zocht beeldmateriaal en stuitte toen op twee foto’s van mezelf: een recente en een oude foto, een van de eerste persfoto’s van mij als muzikant. Toen ik beide foto’s met photoshop op elkaar zette, kwamen beide beelden op precies dezelfde ooghoogte terecht. Ik dacht: “Wow, dit is wel héél bizar. Dit is niet eens zo’n slecht idee!” Ik had overigens nog meer concepten liggen, maar uiteindelijk hakte de artwork-persoon bij Merge de knoop door.’
Je had het zojuist over contrasten. Werd de strekking van Beauty & Ruin toen meteen duidelijk?
‘De boodschap achter deze songs stond daar aan voorafgaand zo goed als vast. Toen die twee foto’s op elkaar vielen, toen resoneerde er wel iets. Het kwartje viel toen: dit illustreert precies zoals de plaat klinkt!’
Bij je vorige plaat Silver Age greep je sterk terug naar het optimisme van Copper Blue. Beauty & Ruin klinkt in vergelijking weer een stuk introspectiever.
‘Absoluut. Silver Age kwam vlak na de publicatie van het boek en de tribute avond tot stand. Er kwam veel positieve energie vrij. Na een maand toeren kreeg ik het nieuws dat mijn vader is overleden. Hij was ondanks alles de persoon die muziek in mijn leven bracht. Ik had veel om over na te denken. Goed samengevat: ik moest abrupt omschakelen van pure blijdschap naar droefenis. Loslaten en de draad weer oppikken ging uiteindelijk wel, het hielp datSilver Age zo’n ‘happy-go-lucky’ plaat was. Gelukkig was ik tegen het eind van dat jaar vaak genoeg thuis in San Francisco om met nieuw materiaal aan de slag te gaan. Ik dacht veel aan mensen om me heen. Beauty & Ruin put vooral uit simpele universele waarheden. Het is bepaald geen moeilijke plaat om de doorgronden.’
Erg hart-op-de-tong, vooral.
‘Zodanig hart-op-de-tong dat ik niet zeker wist of het wel zo expliciet zou moeten brengen. Wie mensen tegeltjeswaarheden verkoopt loopt al gauw het risico gebagatelliseerd te worden.’
Je neemt jezelf dan weer flink op de hak met “Hey Mr. Grey”: Life used to be so hard/get off my yard”. Stukje zelfbescherming?
‘Jawel, natuurlijk, iedereen neemt dat wat het meest waardevol is in bescherming. Zoals bijvoorbeeld een huis. (lacht) Je verandert dan opeens hé, zodra iemand dat bedreigt! Jij snapt dat nu gelukkig, aangezien dit je gister is overkomen.’* (beiden schieten in de lach)
*Context: op de avond voor dit interview brak een bebloede, met coke verstijfde sekstoerist in het huis van ondergetekende na een akkefietje met de buurvrouw. Louche zaakjes dus.
Goed, ik voel hier in ieder geval met je mee: het moment dat een ouder het leven laat…waar je op dát moment in je leven bent wordt hoe dan ook bepalend voor je toekomst. De dood komt nooit gelegen, maar je had het slechter kunnen treffen. Bracht het verwerkingsproces ook iets positiefs teweeg?
‘Het was (stamelt)…ik vind het moeilijk om dit tot uiting te brengen. Laten we zo zeggen, een gezondere situatie had ik waarschijnlijk niet kunnen treffen. Wat anderzijds een enorm zware periode had kunnen zijn, is uiteindelijk een soort viering geworden. Hierdoor kon ik mijn verlies goed bevatten en uiteindelijk verwerken. Dit is precies waar Beauty & Ruin ook begint. Ik wil met dit album mensen de hand toereiken die zich in soortgelijke omstandigheden verkeren en tegelijkertijd uitzoeken hoe ik het verwerkingsproces projecteer op mijn directe omgeving. Bij je ouders denk je vaak te weten wat dat dan precies betekent. We lezen de boeken, we zien de films, we horen de verhalen…maar zodra het je daadwerkelijk overkomt, dan realiseer je pas dat dit leven een einde heeft. Het verandert de manier waarop je alles en iedereen bejegent.’
Voelde je je verplicht met Beauty & Ruin bepaalde aspecten in je leven te verzoenen?
‘Ik voelde me vooral verplicht alles los te laten wat ik toch niet kan controleren. Dingen die een blok aan mijn been zijn: slechte relaties aanhouden en de kleine alledaagse neuroses. Of ik wel of niet allergisch ben voor deze bloemen (wijst naar bloempot in het midden van de tafel). Die irritaties vermenigvuldigen zich gedurende de dag. Ik ben altijd een piekeraar geweest…ik maak me altijd wel druk om IETS. Nu is dat minder. Zoals ik zei, simpele waarheden aanknopen, maar wel dingen die een grote impact op mij hebben. Ik behandel de grote thema’s op Beauty & Ruin: het verlies, reflecteren op een leven mét en zónder bepaalde mensen. Plus de acceptatie dat heel veel dingen simpelweg onvermijdelijk zijn. Het slot van de plaat kaart de toekomst aan, datgene wat iemand in zijn of haar leven nalaat. “Fire In The City” vertegenwoordigt die conclusie: de aarde trilt en alles gaat in vlammen op. En morgen is er weer een dag. Dit album begint dus heel grijs en geel: het is koud, het is langzaam en het is donker. Maar langzamerhand wordt het zonniger en optimistischer.’
Okay, waarom naast een boek ook een album schrijven om jezelf te verkennen?
Beauty & Ruin is in feite meer een samenvatting van de afgelopen twee jaar van mijn leven. Het is geen lange zelfreflectie, zoals het boek dat wel was.’
Helder. Nog een laatste vraag, eigenlijk meer een observatie! Als ik zeg dat “Kid With Crooked Face” je meest Hüsker Dü-getrouwe song in jaren is, zou je dat als compliment opvatten? Je stem staat anders weer lukraak achter de drums en gitaren gemixt.
“Natuurlijk! Het klinkt als Bob Mould die gitaar speelt en zingt! (lacht) Mensen kicken op dat soort details, waarom niet? Het is leuk! Ik denk dat je dit album gerust een bloemlezing mag noemen van alle muziek die ik door de jaren heen heb geschreven. Vooral wat mijn gitaarspel betreft. Ik bedoel, als Dave Grohl het toegeeft…(lacht) waarom ik dan niet?”
Beauty & Ruin is momenteel verkrijgbaar via Merge/Konkurrent. Je kunt de biografie See A Little Light: The Trial of Rage and Melody hier bestellen.

4 gedachten over “Bob Mould”

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *