Roadburn 2015 – Napret

Het was de twintigste editie van het Roadburn-festival in Tilburg, in 1999 begonnen als een rondreizend evenement in de Melkweg (Amsterdam), 013 (Tilburg) en in het Bolwerk (Sneek), waarna het pas echt een festival werd in 2003 in de Effenaar in Eindhoven. Sinds 2005 vond het plaats in en rondom 013 in Tilburg. Het festival groeide uit tot een vierdaags toonaangevend evenement in genres als stoner, doom, sludge, psych, prog, black, avant-garde en postrock en -metal. En alles wat er op lijkt eigenlijk. Zo kon je naar de lompe doom van Bongripper of Profetus dit jaar, maar je kon je net zo goed vermaken met de vrolijke oude rock van The Golden Grass. Om maar eens wat noemen. Ook al opereert het festival in een nichemarkt waar ook veel buitenlanders op af komen, er is genoeg variatie om iedereen tot tevredenheid te stemmen. Dit jaar was de keuze diverser dan ooit. En ook dit jaar waren al die bands weer van uitzonderlijke klasse. Tegenvallers waren er nauwelijks – tenzij het specifieke genre je niet zo aanstaat dan. De organisatie had ook dit jaar weer een uitstekend programma samengesteld, waardoor het festival uiteindelijk wist uit te verkopen, hoewel minder snel dan voorheen. Voor het eerst dit jaar waren er ook dagkaartjes beschikbaar voor de eerste drie dagen. De vierde dag, de zogenaamde ‘Afterburner’ op zondag, was altijd al een extra dag waar je een los ticket voor kon bestellen. Het verkocht dit jaar sneller uit dan anders, waarschijnlijk vanwege het speciale optreden van Anathema op die dag.


mij=Door: tBeest.
Nog steeds zijn Walter ‘Roadburn’ Hoeijmakers en Jurgen van den Brand de drijvende krachten achter het festival, uiteraard samen met alle andere vrijwilligers en vaste medewerkers van het festival en de betrokken zalen/organisaties. Walter zien we af en toe lopen en dan schudden we uiteraard hem uiteraard ook een keer de hand. Mooi om te zien hoe hij dan enthousiast reageert, en bij de bands zien we hem soms even stil genieten. Het zal voor de organisatie lastig zijn om veel mee te krijgen van de bands, lijkt me. Het lijkt me ook een rare tegenstelling, als enthousiast liefhebber zoiets organiseren in de wetenschap dat de meeste optredens langs je heen zullen gaan. Gelukkig worden er video’s gemaakt. Dat zijn de meer officiële sfeerimpressies (zie de ‘video reports’ van Mark Bakker op dag 1, dag 2 en dag 3), maar in het enthousiaste publiek staan er ook altijd wel wat mensen die het e.e.a. opnemen, dus er is nog van alles terug te vinden. Hier mijn eigen lijst video’s.
Donderdag
We komen op donderdag op tijd aan, en lopen gelijk verkeerd. Er is een verbouwing aan de gang bij de parkeergarage en moeten ineens door de garage zelf naar de Veemarkstraat. Daar komen we al gelijk in gesprek met de eerste buitenlander, een Ier uit Dublin die voor het eerst op het festival is. Op Roadburn leg je makkelijk contact met andere bezoekers. Dit weekend spraken we opvallend veel Scandinaviërs, sowieso een gebied waar hordes goede bands vandaan komen. Vast geen toeval. Door de verbouwing moet de Veemarkstraat worden vrijgehouden voor bouwverkeer, waardoor er geen gezellige terrasjes, drank- en eettenten of merchandise standjes staan dit jaar. Om de hoek bij 013 heeft de organisatie alsnog wat bankjes neer weten te zetten en een eettent, maar meestal vertoeven we in de straat om de hoek met alle terrasjes en restaurants. Het is grotendeels goed weer (alleen op zaterdag valt er wat regen), waardoor we regelmatig daar onze benen rust geven en onze maag vullen met uitzonderlijk goed eten en speciaalbier. Wat een voordeel geeft dat ten opzichte van een festival waar alleen fletse biertjes worden geschonken en afgelebberde pizza’s. Dit festival is uitverkocht, maar het voelt toch allemaal relaxed en luxe aan.
Na een bezoek aan het terras is het altijd even wennen om in een grote donkere zaal binnen te lopen, maar daar speelt gelijk iets bijzonders. Sólstafir speelt een unieke set, een live gespeelde instrumentale soundtrack bij de cultfilm-klassieker Hrafninn Flýgur (When The Raven Flies) van regisseur Hrafn Gunnlaugsson. De film zelf wordt hier helemaal vertoond op de achtergrond. De muziek van de IJslandse band heeft zowel een sfeervolle als donkere kant, en dat past prima bij de film. Die donkere kant maakt het in combinatie met de film wat grimmig als de hakmessen door de lucht vliegen, en de ene na de andere Viking bloedend ter aarde stort. Nieuw is de muziek niet echt, want er worden vooral instrumentale stukjes van de bekende platen gespeeld, en ook de momenten waarop de muziek wordt gestart en gestopt lijkt soms wat willekeurig. De film zelf is dus al oud, en ziet er daarom gedateerd uit, maar het is aardig voor een fijn portie bloed en verderf. En moeilijk kijkende acteurs. Het verhaal kan ik niet helemaal volgen, maar hier kun je de hele film nog eens bekijken.
Sub Rosa uit Salt Lake City combineert in Het Patronaat op een prettige manier subtiele muziek met lompheid, violen, zwaar gitaarwerk, en de cleane zang van singer-songwriter / gitariste Rebecca Vernon. Het is duidelijk dat er in Het Patronaat weer een flinke geluidsinstallatie staat, de kerk trilt mee met de dikke bassen en bulderende riffs, en als je daar een beetje in het midden staat is het geluid doorgaans fantastisch. De (mee)slepende gotische doom van Sub Rosa is een aardige opener op dit podium.
We blijven dan maar hangen rond het Patronaat (er zit een heerlijke brasserie op de begane grond trouwens) voor de Noorse supergroep Spidergawd, waardoor we ook knal vooraan kunnen staan. Opvallend genoeg staan de drums van (meester)drummer Kenneth Kapstad (Motprpsycho, en ook meespelend met Brimstone dit weekend als invaller) vooraan opgesteld. De drums staan normaal op dit podium juist achterin verscholen, nu staat juist (meester)bassist Bent Sæther (ook Motorpsycho) achter de band. Met zo’n ritmesectie in je gelederen weet je dat het heel dik gaat worden, ook al speelt de band meer stevige jaren zeventig woestijn- of bluesrock/stoner. Maar ook Per Borten (ook zanger/gitarist van Cadillac), speelt uitstekend, en zingt live eigenlijk minder smerig dan ik had verwacht. Misschien is dat het beeld ook wel, hij heeft gewoon een net kortgeknipt kapsel en hippe zwarte bril, sowieso al een uitzondering op het festival. Jammer dat de sax van Rolf Martin Snustad eigenlijk zo slecht te horen is tijdens het optreden, maar dan nog. Er zit een enorme vaart in het optreden en de groove is immens lekker. Onmogelijk stilstaan hier vooraan. Kapstad is een baas op drums, heel vet om zijn drumwerk van zo dichtbij te kunnen volgen. Hoogtepunt van de dag.
Jammer dat het dan overlapt met mijn favoriete Amerikaanse band Russian Circles, al kun je altijd nog wel binnen komen bij een band in de grote zaal. De instrumentale post-rock/metal klinkt weer fantastisch, al staan we geluidstechnisch misschien niet helemaal lekker. De gelaagde gitaarpartijen klinken me een beetje wollig in de oren, net zoals de reutelende bas die hier net wat te veel wegvalt in de mix naar mijn smaak. Ik kan me niet aan de indruk onttrekken dat het optreden dat ik eerder zag in Tivoli de Helling daardoor wat pakkender was. Meer in je gezicht. Maar dan nog, de sfeervolle postrock-achtige passages worden weer mooi afgewisseld met de loggere, dreigende of meer opzwepende riffs, waardoor het optreden allerminst een teleurstelling is.
Wovenhand, ooit begonnen als een zijproject van David Eugene Edwards van 16 Horsepower, stelt dan in de grote zaal wat teleur met zijn donkere alt-rock, countryfolk of psych noir. Of hoe je het ook wilt noemen. Misschien ligt het aan mij, maar de paar nummers die ik hier meepak zijn wat meer van hetzelfde en ik mis de bezieling of een pakkende sfeer, zoals ik dat wel kan hebben als ik luister naar de albums. Het leek me wel wat lastig grijpbaar voor mijn smaak, en live klinkt het me gewoon wat te rommelig, met ook die te prevelende zang van Edwards. Als het tempo dan wat omhoog gaat wil het dan nog wel, maar we gaan maar eens een ander genre opzoeken, er staan genoeg andere goede bands te spelen. Dan noemen ze me maar een cultuurbarbaar. (Hier nog een mooi interview van 3voor12 met Edwards over Roadburn overigens).
Het is een kleine route van de grote zaal (Main Stage) naar de kleine (Green Room) waar Anthroprophh volgens het programmaboekje een speciale spacy set staat te spelen, inclusief niet eerder uitgebrachte nummers van een nieuwe LP U.F.O. Het klinkt me vandaag minder als stuiterende noise zoals ik dat zou verwachten als we binnen komen lopen, met meer groove ook. Daarna horen we een fijn en lang uitgerekt psychedelische stuk. Bijzonder is dat deze band bestaat uit (voormalig) The Heads gitarist Paul Allen, samen met Jesse Webb. Ook Gareth Turner speelt mee, waarvan ik achteraf lees dat ik hem later op het festival ook heb gezien met Big Naturals. Ook The Heads spelen hier in verschillende samenstellingen en dat vind ik wel bijzonder. Het is een editie van Roadburn waarin veel bandleden in andere projecten verschijnen. Mooi om te zien dat veel muzikanten zich niet beperken tot een bepaalde groep of stijl, en dat zo’n festival als Roadburn daar ook een platform voor biedt.
Monolord heb ik dan gemist hier, maar uiteindelijk belanden we wel bij Helms Alee in die kleine opeengepakte Stage01-zaal. De band is samen met Russian Circles op tournee, en ze zijn dan ook nog samen te zien in Vera in Groningen op 30 april. De band uit Seattle kent een wat wisselende set, waarbij mooi wordt geschakeld tussen wat harder en sfeervoller, broeieriger of juist directer. Je kunt zeggen dat het melodieuze sludge of iets dergelijks is, met post-metal-achtige passages. Daarbij leidt de wat valsige en zwabberende zang meer af dan de bedoeling is. Ook het songmateriaal zelf blijft niet heel erg hangen, maar zo bij momenten worden erg mooie akkoordenreeksen gevonden.
Een stuk Kandodo vervolgens in Het Patronaat, de solo-band van zanger/gitarist Simon Price van The Heads, aangevuld met de bassist van The Heads zo te zien (‘arists in residence’). Hier is de band verder aangevuld met Robert Hampson (vorig jaar nog met Loop op het festival). Met leden van The Heads weet je dat het langdradige psych kan gaan worden, en dat is het ook. Het komt zowel dreigend als wat subtieler over. Dat het langgerekt is maakt mij normaal niks uit, maar je mist hier gek genoeg toch ineens een goed geplaatste break. Het zoekt wel de ontwikkeling op, maar heeft wellicht wat moeite om dat echt interessant of opwindend te krijgen, zeker als je dat vergelijk met The Heads zelf op hetzelfde podium een dag later. Maar slecht is het absoluut niet, en dat kan ook niet met dit soort doorgewinterde psych-muzikanten.
Aangezien we in Breda slapen dit jaar, kun je kiezen voor een dure taxi of gewoon de eerste avond wat rustiger aan doen. Zodoende missen we een groot deel van het Engelse Mugstar, die ik gelukkig vorig jaar al eens een keer zag op het geweldige Eindhoven Pysch Lab. De band speelt een erg aantrekkelijke vorm van kraut/psych/space/noise-rock (beïnvloed door bands als Hawkwind, Neu! en Sonic Youth), en de eerste 15 minuten die we nog meekrijgen smaken naar meer. Gelukkig speelt de band, zoals veel bands op deze editie van Roadburn, vaker. Op zaterdag de herkansing dus. Zo is er ook een herkansing voor Bongripper op zondag dat ook rond deze tijd speelt, maar Lazer/Wulf moet ik definitief missen. Het nadeel van het voordeel van een goed festival.
Vrijdag
Vrijdag is de dag die wordt gecureerd door Ivar Bjørnson (Enslaved) en Einar ‘Kvitrafn’ Selvik (Wardruna). De bands in 013 zijn vandaag persoonlijk uitgezocht door de heren, en ze spelen er zelf uiteraard ook (meerdere keren). Het is uitstekend terrasweer waardoor het lastig is om uit de biergarten uit te komen, maar binnen in Het Patronaat vormt Majeure een prettige opener van de dag. Majeure is een ‘do it yourself’-act van A.E. Paterra, drummer van de band Zombi, die op zaterdagavond de Main Stage afsluit. De spacy soundscapes met bliepjes en blopjes worden sfeervol neergezet, en niet al te zoet. Het neigt soms naar de eighties synths van Vangelis, maar het is ook weer geen Jan Hammer. De tracks bevatten herhalende ritmes, en dat komt met alle andere geluiden uit laptops en andere elektronische apparatuur. Echt een trip voor na het lurken aan je wietpijp, en het lijkt me ook wel geschikt voor bij een documentaire over een ruimtemissie. Onvermijdelijk langdradig soms door de trage opbouw, maar wel een relaxed begin van de dag.
Sólstafir staat al voor de tweede keer op de Main Stage, en ik pak het een paar nummers mee. Vandaag is het een regulier optreden, dus nu wel met de getergde ingeleefde zang van Aðalbjörn Tryggvason. Wat ik zo hoor is uiteraard weer uitstekend, maar ik heb de band nu regelmatig gezien de afgelopen tijd, dus ik loop even door. Volgens m’n festivalmaten was het in elk geval weer een magnifiek optreden, met uiteraard de geweldige “Goddess of the Ages” als standaard imposante afsluiter.
Hoewel ik op tijd denk te zijn voor Big Naturals staat het al hutje mutje vol in Cul de Sac. Leuk café met uitstekende biertjes, maar als podium vind ik toch minder geschikt, zeker als de drummer en bassist besluiten maar voor het podium gaan staan. Dat de Engelse band uit leden van Anthroprophh bestaat (Gareth Turner en Jesse Webb) lees ik overigens pas achteraf, maar ik kon ze dan ook moeilijk zien, ze zitten nu nog lager in de slangenkuil zeg maar. Een groot deel van het optreden zie ik dus niks, pas later zie ik dat er wel degelijk een drummer hard aan het meppen is op zijn drums. De keuze om hier even te gaan kijken is uitstekend. De drums meppen strak voort en de bassist is (zwetend) druk in de weer met zijn basgitaar en cello (dacht ik) om vooral veel diepe, zware geluiden te maken. Dat ontaard soms in meer langerekte psych/kraut- stukken, maar het klinkt mij ook veel meer stoner-achtig dan ik had verwacht. Erg goed dit, dat had een groter podium verdiend.
Kenneth Kapstad speelt (als invaller) mee met Brimstone vandaag in het kleine Stage01-zaaltje, en daarmee is het dus ook een drummer die we al een keer eerder zagen op het festival (met Spidergawd gisteren). De band uit Bergen uit Noorwegen speelt voornamelijk funky/jazzy jaren zestig/zeventig muziek met een flinke lik melodie. Het volgen van Kapstad als enorm funky drummer is altijd een genot, en dat maakt het al heel fijn, maar ook het baswerk is prima verzorgd (een vrolijke knakker met een leuk wit vintage gewaad aan), naast dat lekkere cheesy orgeltje. Dat de zaal niet vol blijft staan snap ik ergens wel, het pakt niet het hele optreden, maar die missen dan wel weer een heel erg goed slotstuk.
Gauw naar Focus dan, de oude Hollandse prog-leerschool met fluitist/toetsenist/jodelaar Thijs van Leer. Ik wilde die band graag nog een keer zien, en nu dient zich die gelegenheid gewoon aan op dit festival. Een kans die ik niet laat schieten. De Green Room is dan aardig vol voor dit soort belegen prog-spul, maar het is dan ook een legendarische band van eigen bodem die vele andere (prog)bands heeft beïnvloed. Van Leer is vandaag in een vrolijke bui en dat past weer mooi bij de speelse en vrolijke prog. Zeker met de dwarsfluit of zijn meebrabbelende ‘zang’ maakt het tot een koddig geheel. De muziek doet me ergens ook wel denken aan TV-series uit de jaren zeventig, maar de band bestaat natuurlijk ook al sinds 1969. Naast Van Leer zien we Pierre van der Linden op drums uit de oude bezetting, aangevuld door jonger talent, zoals Bobby Jacobs op bas en Menno Gootjes op gitaar, die later overigens nog op zou duiken bij Enslaved begreep ik van iemand op het festival. Gootjes is een getalenteerde gitarist, en Van der Linden kan het nog steeds prima op drums (inclusief solo’s). Het gaat van de wat langzamere slow- of bluesrock naar meer uptempo progrock, en zo is het onvermijdelijke “Hocus Pocus” een hoogtepunt op het einde. Zeker als de gitaren er in worden gegooid gaat de zaal los, een mooi slotstuk, waarin ook nog even een drumsolo en een voorstelrondje zat verwerkt. Mooi. Dat kan ook weer van mijn bucketlist.
Inmiddels missen we dan onvermijdelijk ook andere dingen, zoals Fields of the Nephilim en Warduna, maar ik wil na een kleine pauze naar The Heads in het Patronaat. En die nemen de tijd. Veel meer dan vier nummers waren het ook niet geloof ik, en er wordt spaarzaam maar bezwerend opgebouwd in een psychedelisch thema, met langzaam verschuivende laagjes. Het begin is wat loom met een dik basgeluid en rondzingende gitaren. Terwijl je ook hier denkt dat er wel eens iets van een break mag langskomen of een goed geplaatste riff, breekt de boel na een half uurtje of gigantisch mooi open. Er komen meer slagen in, en de boel wordt duisterder en onheilspellender. Er ontwikkelt zich een meer stoner-achtig geluid met een goede opbouw en met dikke climax. Overigens gebeurt dat nog steeds met een (onvermijdelijk) herhalend thema, maar het zorgt wel voor een geweldige apotheose op het eind. Nooit weglopen bij een concert is misschien het advies hier, er staan hier nog wel eens bands die lang werken naar een zorgvuldig opgebouwde climax. Heerlijk. En morgen staan ze er weer, dit keer mét zang begreep ik.
De enige echte tegenvaller van Roadburn komt misschien van Death Hawks. Misschien is de melodieuze jaren zestig/zeventig-rock met een lik psychedelica niet iets wat echt lekker valt na zo’n dik optreden van The Heads. Maar het valt live gewoon tegen. De zanger ziet er uit als een verwaande impersonatie van Jim Morrison en je ziet gelijk dat dat er ergens iets niet klopt, zeker als je met zo’n zelfverzekerde smoel en zuur mondje ook nog eens iel en vals zingt. Dan zijn je hippiekleertjes leuk, en klinkt het muzikaal nog wel licht funky, maar het is te slapjes om hier te blijven hangen.
Dan maar naar de lompe band Profetus, die met hun funeral doom bijna vanzelfsprekend in de kerk speelt. Het is ook voor het eerst dat we eens gaan kijken op de eerste etage van Het Patronaat, waar je lekker aan het balkon kunt hangen met mooi uitzicht op het podium, maar waar ook bezoekers uitgeteld op de banken liggen. Op de wanden zit vloerkleed, en met die lompe doom op de achtergrond maakt dat een vreemd schouwspel. Het geluid klinkt daar bedompt, in de zaal klinkt het veel helderder in het midden. Mooie sfeertje wordt hier neergezet door Profetus, met kaarsen op het podium, klanken van een kerkorgel, en erg mooie visuals op de achtergrond, dat je wellicht kunt omschrijven als gestylde horror. De twee zangers wisselen elkaar wat af zo te zien, soms met die mooie roggelende gruntstem, maar het lekkerste van zo’n band is dat lome gestoemp en de diepe bassen die de vloer laat trillen en je lichaam doen laten schudden.
Agusa uit Zweden speelt ondertussen ook nog in de kleinste zaal van in 013 en we nemen daar nog een stuk van mee. De rustige oude orgelrock is wel even heel relaxt, al vind ik het (psychedelische) gitaartje wel erg dun, dat had wat dikker gemogen. Het is melodieus en groovy, maar soms een beetje te zoetig, maar als tussendoortje voldoet het aardig.
Toch ben ik meer van de lompere psych, en het Spaanse Pyramidal voldoet ruimschoots aan alle verwachtingen. De stonerpsych staat op standje moddervet in Het Patronaat, met een dikke schwung, opwindende dikke riffs, en ontzettend smeuïge psychedelische effecten op de gitaren. Wat een geweldige afwisseling tussen wat rustiger en snoeihard, waardoor dit het volle uur blijft boeien. Misschien is dit wel het beste optreden van het festival. Zeker in mijn beleving.
Zaterdag
Goedemorgen! Dat is even lekker wakker worden met Briqueville uit België. Het is donker in de Green Room maar we zien wel de gewaden met maskers. Pas later valt me op dat er nog iemand linksachter verscholen staat, die wat zang-achtige partijen voor zijn rekening neemt en zo te zien wat samples tot zijn beschikking heeft. Vooraan staan de twee gitaristen die (terecht) veel aandacht opeisen, maar eigenlijk is de ster van de avond – eh – middag de drummer die zijn drums helemaal aan gort slaat tegen het einde, tijdens een waanzinnige slotstuk. Begint het nog met relatief rustige maar lomp reutelende psych-achtige doom, geserveerd als een occulte belevenis, het eindigt dus met een minutenlang bonkende apotheose die zijn weerga niet kent. Na een minuutje of 25 is het dan alweer afgelopen, maar het is wel gelijk een van de grootste verrassingen van het festival. Hou ze in de gaten. Waanzinnige act. Binnenkort vaker te zien in het land overigens.
Dan even wat meer rust met de eerste van een serie van twee optredens van Claudio Simonetti’s Goblin. Net als bij Sólstafir op donderdag kunnen we tijdens de live gespeelde soundtrack meekijken met een film: de horrorklassieker Dawn Of The Dead uit 1978. Hoewel iets beter getimed dan bij Sólstafir (hier klopt de timing), is de afwisseling wat minder tussen de gespeelde stukken. Veel herhaling van dezelfde themaatjes bedoel ik. Het idee geweldig, maar de film zie ik thuis nog wel een keer. Maar leuk voor een tijdje dus, waarin we ondertussen een stuk van de film kunnen zien op de achtergrond. En die ziet er een stuk koddiger uit (gedateerd, maar wel met meer humor) dan de serie The Walking Dead, die ik toevallig recent ben begonnen met kijken. Die serie moet haast wel gebaseerd zijn op deze klassieke film, maar dat terzijde. Claudio Simonetti’s Goblin zie ik live toch liever zoals in de setting van vorig jaar, waarbij ze gewoon achter elkaar klassieke tunes speelden met daarbij de beelden op de achtergrond, en daarmee voor meer variatie en snelheid zorgden. Maar toch, het is wel weer een bijzonder optreden op dit festival.
Sun Worship zien we dan even in de Green Room. De jonge groep uit Berlijn maakt massieve dichtgesmeerde blackmetal zoals we dat meer kennen. Snel, met een muur van geluid, maar met te weinig variatie voor mijn smaak. Dat maakt het een wat doorratelende en vermoeiende exercitie.
Domo komt net als Pyramidal uit Alicante, Spanje, en ik wist dat eigenlijk pas achteraf. Het ontpopt zich in Stage01 als een spannende psychband. Veel spannender dan verwacht eigenlijk. In vergelijking met Pyramidal is het met wat minder space- en stofzuigergitaren, maar ze kunnen wel een mooi vol geluid produceren. In vergelijking met bijvoorbeeld Papir van vorig jaar hebben ze er een extra gitarist bij en dat zorgt wel voor een fijne extra laag. De composities zijn perfect, mooi opgebouwd met goed geplaatste breaks, dik en stoner-achtig als het er om vraagt, en langdradig als het kan, zonder al te lang te blijven pielen met je gitaar. Mooi hoe die linkse gitarist van die grimassen trekt tijdens zijn soleerwerk trouwens. Domo kan zelfs nog ergens nog doorgroeien lijkt me, want ze moeten er wel een beetje voor werken. Veel doen ze echter niet onder voor een band als Pyramidal. Domo is een band om op te blijven letten. En ze zouden het op veel festivals goed doen gok ik.
Na Domo pakken we nog een stukje Messenger uit Londen mee, dat meer rust heeft in het spel en meer melodie. Een lichte vorm van psych en prog in mijn beleving, en (samen)zang dat ik iets vind hebben van Pain of Salvation, maar dat mag je ook vergeten. Hier en daar wat steviger en dat geeft het meer pit, al glijdt het gedeeltelijk ook wat langs mee heen. Dat heet pure verwennerij, want ook dit is zeker weer niet slecht. Zo’n band die ik eigenlijk thuis wat vaker had moeten draaien denk ik.
Na afloop staat het propje vol bij Darkher, maar ik blijf toch maar even staan, ook al zie ik weinig. Het klinkt mooi duister en mysterieus. Sfeervolle folk / gothic, met een postmetal-achtig gitaartje voor de wat stevigere noot. Dat de drummer wat hoorns op zijn hoofd heeft geplakt wil ik zeker niet onvermeld laten, hoewel dat verder niets bijdraagt. Mooie volle slagen produceert hij, in een langzaam tempo. Verder veel melodie, maar niet te veel. En uiteraard de mooie serene, satijnen zang van singer-songwriter Jayn H. Wissenberg, die me ergens wel doet denken aan Portishead. Als er een echte Angel of Death zou bestaan, zou het moeten klinken als haar bij Darkher.
Kayo Dot uit Boston wordt geleid door  Toby Driver die de groep in 2002 oprichtte. De band gooit een hele hoop stijlen door elkaar en ook vandaag is het vrij onnavolgbaaar wat hier gebeurt, en dat maakt het lastig te volgen. Of lief te hebben. Nu ben ik normaal gesproken dol op dit soort avant-garde of cross-over, maar nu voelt het soms alsof er onnatuurlijke overgangen worden gemaakt die niet lekker vloeien. De hele zoete stukjes pakken me totaal niet, maar even later zit je wel lekker mee te stuiteren met de veel vetter gespeelde stukken. Het blijft het ene moment hangen in verzwelging, het andere moment klinkt prima progmetal. Maar goed. Je hoeft niet overal een definitieve mening over te geven. Hier zijn we gewoon nog lang niet over uit.
Mugstar kunnen we vandaag dan wel helemaal zien, maar dit keer spelen ze live de soundtrack van Ad Marginem, met de film zelf op de achtergrond, hoewel dat meer sfeerschetsen lijken te zijn en een echt verhaal lijkt te ontbreken. Wellicht iets subtieler dan wat Mugstar normaal doet, maar nog wel steeds heel erg goed, met een fijne psychedelische inslag en gewoon weer een heel erg vet geluid daar in die kerk, zoals wel vaker. De film is zelf wat kort, maar daarna gaat Mugstar nog even in de maximale overdrive met hun dikke pompende stofzuigerpsych, om nog maar even te bevestigen wat voor bazenband ze zijn.
De zaterdag kent geen hele grote afsluiters, althans niet op mijn lijstje, dus we gaan maar eens kijken bij Zombi, het synthspacerockduo. Gistermiddag kon je Steve Moore solo zien (bij Zombi op synths en bas) en ook drummer Anthony Paterra gaf gisteren een solo-optreden. De dikke synths klinken groots in de grote zaal, zeer sfeervol en een beetje cheesy, alsof het uit de eighties stamt. Je zou je ook kunnen voorstellen dat deze jongens zouden kunnen samenwerken met Claudio Simonetti’s Goblin, waar het ook soms wel wat van weg heeft.
Toch is het geen act om de volle uur en tien minuten te zien, daarvoor kan het me niet genoeg blijven boeien gok ik. Als afzakkertje vandaag kijken we nog even bij het Finse Sammal dat in de Green Room staat te spelen. Oude melodieuze rock met een (synthesizer)orgeltje en typische manier van zingen, heel uitdragend. En in het Fins geloof ik. Bijzonder omdat ze weinig optreden, zo lezen we in het programmaboekje, maar ik ben bang dat dit optreden me toch ook niet heel lang bij zal blijven. Okay, maar niet heel speciaal.
Zondag

Zondag, de traditionele dag van de ‘Afterburner’. Nog één keertje dan naar het Roadburn festival. Vandaag in iets afgeslankte vorm weliswaar met twee podia minder, maar daarom niet minder relaxed. En er staan toch wel weer hele aardige dingen op het programma vandaag.
Zo is White Hills uit New York gelijk een band die ik graag nog een keer wilde zien. Misschien ligt het aan het tijdstip, maar het heeft moeite om echt te ontvlammen. Het prima basspel van een gefocuste Ego Sensation is daar volgens mij niet de oorzaak van. De bassiste is weer een opvallende verschijning met haar geblondeerde haren, vuurrode lippen, zilveren shirt, rode broek en doorzichtige basgitaar. Maar dat doet er verder weinig toe. Misschien zijn de verwachtingen gewoon te hoog, is zo’n grote zaal niet ideaal voor zo’n band als dit, of valt me het songmateriaal me gewoon tegen. Natuurlijk bevallen de vettere stukken dan erg goed, met die dwingende bas en het rondzingende psych/space-geluid, maar de melodisch gespeelde stukken willen me niet overtuigen vandaag.
Maar goed, een verrassende band kan ook gewoon uit Tilburg zelf komen. Daar in dat kleine café ontvlamt IZAH met een fijne pot sfeervolle post-rock en -metal. Het doet me wat doet denken aan het Belgische Steak Number Eight, dat ook zowel sfeervol als wat lomper kan zijn, en waarvan de zanger ook clean kan zingen, naast het nodige schreeuwwerk. De mooi uitgesponnen stukken zijn in elk geval om van te watertanden. En om te onthouden. Jammer dat het hier weer enorm vol stond, maar het is wel terechte aandacht voor deze jongens. Toch thuis dat debuutalbum Sistere nog eens beluisteren, met die vier hele lange nummers.
Bongripper, de doomband uit Chicago, is de perfecte band blijkbaar voor me op dit moment, dat in de grote zaal speelt met hun überlompe mokerslagen. De belichaming van de perfecte doom. De hele zaal kan niet anders dan gedwee met z’n allen de hoofden in dat lome beuktempo meebewegen. Zo op de plaat denk je dat er teveel herhaling op de loer ligt (ze spelen hier Miserable in z’n geheel begreep ik), maar zo live kan het niet lang genoeg doorgaan. En dat komt mede door het moddervette geluid in de zaal gok ik toch ook, dat ontzettend bruut op ons afgevuurd wordt. De bas heb ik hier nog nooit zo belachelijk zwaar horen klinken hier. Man, man, wat lekker. Die apotheose op het eind doet denken aan Briqueville gisteren, en zo laten ze het concert eindigen op een ultiem lompe wijze. Zo hoort dat dus. En na afloop even een ‘Bongripper-burger’ eten om de hoek. Lekker!
Lo-Pan uit Ohio is dan best een goed tussendoortje in de Green Room. De gezette zanger staat achterin te schreeuwen (gekke podiumopstelling toch weer), maar eerlijk gezegd denk ik dat ik de band liever instrumentaal hoor. Hun fuzzy en groovy stonerrock (denk Fu Manchu, Kyuss of Monster Magnet) klinkt gewoon heel goed en het gaat er flink op in die zaal. Maar goed, je had ook door de titel van hun laatste plaat kunnen weten hoe dat zou klinken: kolossaal.
Voor en na Lo-Pan bezoeken we ook nog het tweede optreden van Claudio Simonetti’s Goblin. Dit keer speelt de band live bij de horrorklassieker ‘Suspiria‘. Toch is dat wel bijzonder, al missen we ook hier wel een beetje de muziek tijdens de lange pauzes tussendoor, waarbij we gewoon naar de film kijken en de band ook maar op een stoeltje zit mee te kijken. Hoe vaak zouden ze zelf die twee films wel niet hebben gezien? Enfin. In de zaal zitten de meeste mensen ook gewoon op de grond, en dat lijkt me verder ook wel relaxed. Leuk om eens (gedeeltelijk) te zien deze twee optredens van de oude meester van de synthprog en horror-tunes en zo, maar doe me volgende keer toch maar weer een gewoon concert.
Het is mooi weer en we zoeken een terras op, om terug te komen voor een stukje Anathema in de grote zaal. Vandaag zijn er best nog wel een hoop mensen speciaal op Anathema afgekomen, en de band speelt dan ook wel een speciale set. In het kader van hun 25-jarig jubileum gaan ze vandaag ook terug in de tijd naar het oudere (meer death-/doom) werk, waarbij voormalig bassist en schrijver Duncan Patterson en originele zanger Darren White ook een rol zullen gaan vervullen. We pakken een aantal nummers mee uit het eerste deel van het optreden waarbij ook zangeres Lee Douglas soms meezingt (“A Simple Mistake” en “Closer”). Toch begint het te knagen na een tijdje. “One Last Goodbye” wordt een afscheid voor mij, met name omdat de zang gaat wringen en het nummer gewoon te zoet is naar m’n smaak. Ik heb Anathema nooit helemaal kunnen doorgronden ook, en volgens mij verplicht ook niemand mij om te blijven staan.
Als tegenwicht van Anathema duiken we de gekte in van Terminal Cheesecake uit Londen. De band, opgericht in 1988 stopte overigens in 1995 om in 2013 weer op te gaan treden. Ditmaal met zanger Neil Francis (ook van Gnod) als vervanger van Boniface. Het optreden levert hetzelfde beeld op als toen ik ze vorig jaar zag op het Eindhoven Psych Lab. Een behoorlijk luidruchtige en volgesmeerde psych-band met fel jankende gitaren en lang aanhoudende ritmes. In het geheel niet slecht, maar het lijkt soms een wat willekeurige storm van effecten. Toch is de drive er wel, en dat houdt het interessant, ook al heb ik het idee dat ze toen in Eindhoven meer energie gaven op het podium.
We lopen nog even snel door om nog een stuk van Hypnos te pakken in het Cul de Sac-café en dat blijkt een goede keuze. Kijk, deze Zweden spelen echte ouderwetse rock ‘n metal, denk Judas Priest, Iron Maiden, Thin Lizzy. Misschien uit het boekje, maar mijn hemel wat is dit verduiveld strak gespeeld allemaal. En hoe vaak zie je zo’n band met een dwarsfluit-solo? Het past verrassend goed, ook al is de zanger zelf geen spectaculaire zanger (wie wel in dit genre overigens).  Hypnos is een verrassing vandaag, in een wat uitgekauwd genre. Hopelijk horen we hier meer van.
‘Na al die doom hebben jullie ook vast wel zin in iets vrolijkers’, aldus de goedgemutste zanger/drummer van The Golden Grass. De muziek van dit trio uit Brooklyn klinkt ouder dan de Golden Girls-serie, maar verhip, wat is dit soort belegen ouwelullen-rock ineens lekker. Noem het jaren zeventig-bluesrock voor mijn part, met soms van die effecten op de gitaar. Maar eigenlijk wordt de show gestolen door de bassist met z’n enorm funky gitaarspel en die geweldige drummer. Wat een technisch vaardige band is dit, die ook nog gewoon goede songs schrijft. Ook al passen niet alle songs in mijn straatje, uiteindelijk is het wel genieten van deze band, die bovendien een ontspannen en positieve sfeer oproept. Classic Rock Magazine riep deze band laatst uit tot ‘Best New Band’, op Roadburn begrijpen we vanavond waarom.
We kunnen het niet laten om ook een stukje van de allerlaatste band mee te pakken in Cul de Sac: Tweak Bird. Gelijk wat vervreemding, want we horen wat valse zang en zien later ook af en toe iemand op de sax meespelen, terwijl het toch een duo zou zijn op drum en gitaar. En zien we daar ook de eerste crowdsurfers van het weekend? Het heavy fuzzgeluid van de Amerikaanse heren klinkt bij vlagen goed en lekker opgefokt, maar er sluipt soms ook wel wat herhaling in de set. En we kunnen geen klap zien. Enfin, sowieso moeten we niet te laat weg om de laatste trein te gaan halen, dus hier eindigt het verhaal.
Volgend jaar is Roadburn van 14 tot en met 17 april, wederom in (en rondom) 013 in Tilburg. Binnenkort begint 013 met een grote verbouwing dus ik ben wel benieuwd hoe het er dan uit gaat zien, maar met name ook hoe het festival daarin een plek vindt. Er is in elk geval een zaal minder nu de kleine zaal (Green Room), Stage01 en het café worden samengevoegd tot een zaal die geschikt is voor tussen de 200 en 700 bezoekers. Meer ruimte in de kleine zaal lijkt mij prima. Dat Stage01 verdwijnt is ook niet zo heel erg, het blijft een smal hokje met een laag podium waar niet heel veel mensen iets van optredens mee kunnen krijgen als het druk is. Echter, er is dan wel een zaal minder in het 013-pand, en ik ben benieuwd of er ergens anders nog een klein zaaltje wordt gevonden. Het goede nieuws is in elk geval dat er een nieuwe editie komt van het festival en dan hoop ik er weer er weer bij te zijn. Ik ben ook wel benieuwd wie er dan het festival een dagje mag cureren. Op straat hadden we even een korte ontmoeting met Walter, en als die-hard Motorpyscho fans kun je raden welke band van ons wel mag cureren volgend jaar. Uiteraard zei hij niets, maar wij zagen in zijn glimlach een mysterieus lachje. Ach, als fans mag je altijd hopen, maar het maakt niet heel veel uit. Als het programma net zo goed wordt als de vorige edities, kun je gewoon blind een kaartje aanschaffen. Met zo’n relaxed festival met zo’n fijn sociaal publiek en vriendelijke organisatie, en met zoveel klasse bands in dit soort genres bij elkaar, is het voor mij persoonlijk inmiddels een onmisbaar hoogtepunt van het jaar.

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.