Pukkelpop 2017 Napret

HipsDat 25 jarig jubileum van Lowlands, da’s allemaal goed en wel en fantastisch, maar toch kon het mij niet weerhouden om ook dit jaar weer voor zijn Vlaamse tegenhanger te kiezen: Hallo Pukkelpop!

Om te beginnen: Enter Shikari deed het best goed op het hoofdpodium. De flauwe rave-trainingspakken hadden inmiddels het veld moeten ruimen voor maatpakken en ook de muziek klonk zowaar een stuk volwassener dan de laatste keer dat ik ze op Pukkelpop hoorde. Minder elektronisch gejengel, meer bijna-progrock met catchy refreinen. Het was vermakelijk.

door: TheLeonKing

Het Waalse Girls In Hawaii grossierde in voortkabbelende gitaarliedjes die stiekem toch wel erg lekker waren. Dat was geen straf. Zelfs op afstand kon je ondertussen merken dat Cypress Hill er een goed feest van maakte. Hun hiphop-classics uit de jaren 90 deden het goed op de festivalweide. Ryan Adams begon zijn set met de heerlijke rocker ‘Do You Still Love Me’. Dikke knipoog naar Tom Petty. De voornamelijk Neil Young-achtige southern rock met een dikke laag country deed het erg goed op de mainstage, het zonnetje erbij maakte het helemaal af. Stiekem heeft die man niet alleen een mooie stem, maar ook een shitload mooie liedjes.

Van alle vrouwelijke muzikanten was ik altijd het meeste fan van PJ Harvey. Maar haar laatste albums kunnen mij niet zo bekoren, blijkbaar hou ik meer van haar oude, kale, directe liedjes. Ik had dus echt niet voorzien dat haar optreden op deze editie van Pukkelpop het absolute hoogtepunt ging worden voor mij. Alles klopte en alles was even geweldig: De opkomst van de band, de 3D achtergrond, maar bovenal de muziek. Bloedstollend mooi. Wonderbaarlijk hoe zelfs het normaliter rauwe ‘50ft Queenie’ bijzonder goed tot haar recht kwam in de uitvoering met een grote band. Van het prachtige ‘Down By The Water’ kon je dat op voorhand wel verwachten. Werkelijk fantastisch was ‘To Bring You My Love’, het kippenvel stond metershoog op al mijn ledematen. Echt super.

Terwijl ik stond bij te komen bij Strand Of Oaks trokken daar stiekem ook wel een aantal aardige rocksongs voorbij. ‘Radio Kids’ had het zeer goed gedaan op een jaren 80 album van Springsteen, helemaal niet slecht. Het echte muzikale feest ontstond in de Club-tent, bij Ty Segall en zijn geweldige band. Dikke gitaren met psychedelische seventies riffs, waarbij het duel tussen de twee gitaristen niet geschuwd werd. Maar ook op de jaren zestig geleeste garagerockers, lekker vuig gespeeld en vol overgave. Heel, heel goed!

De vrijdag kwam verrassend op gang met het trio Brutus. Een rockband met een dame op drum en zang, iets wat ik vooraf niet bij de bandnaam verwachtte. Totdat ik haar bezig zag: een regelrechte sollicitatie voor ‘s werelds drukste black metal-band, man wat klapte ze erop! De post-rock van de band klonk ook niet verkeerd trouwens. De Ieren van Walking On Cars deden het prima in de Marquee-tent. Het is wel erg poppy wat ze deden, maar ik vond het best te pruimen. Het New Yorkse Parquet Courts is veel meer mijn pakkie an. Lekker dwarse indie-artpunk van het eigenzinnige soort, balancerend tussen The Strokes en Sonic Youth. Het leek wel of ze een ‘best of’ set speelde, met behoorlijk wat straf materiaal van album ‘Light Up Gold’. Bijzonder goed optreden en zowaar het eerste dat ik deze dag helemaal uitzat.

De mooiste verrassing van de vrijdag was voor mij de Australische Julia Jacklin. Deze dame zong in gezelschap van een sobere band bijzonder aardige liedjes met onvervalste countrysnik. Ja, het was serieus goed. Haar versie van ‘Someday’ van The Stokes was er eentje om door een ringetje te halen, prachtig en een dikke grijns op mijn ongeschoren gezicht. Net op tijd was ik in de Marquee-tent. Niet alleen vanwege The Flaming Lips, maar ook gezien de korte, doch hevige regenbui die over Pukkelpop joeg. Als festivalbezoeker moet je eigenlijk zeker een keer The Flaming Lips gezien hebben, wat een band. Het gemis aan kracht in de vocalen werd ruimschoots gecompenseerd met alle visuele fratsen die uit de hoge hoed getoverd werden. Enorm confetti kanonnen, reuzeballonnen, een gigantisch grote opblaaspop, een eenhoorn waarmee frontman Wayne Coyne van links naar rechts door het publiek trok, het was een dolle boel. Wel erg fijn dat ze de set begonnen met het prachtige ‘Race For The Price’. En de Bowie-cover van ‘Space Oddity’ mocht er zijn, vooral ook omdat Coyne hierbij in een ballon over het publiek rolde. Genieten geblazen.

Maar het echte muzikale geweld van deze tweede festivaldag kwam van het Britse Elbow. De band klonk niet alleen loepzuiver, zanger Guy Garvey liet me daar even horen wat voor fantastische stem hij had. En hoe je op sympathieke wijze een grote menigte uit je hand laat eten. Hij en de band genoten er zichtbaar van, maar het was dan ook bijzonder fraai wat zich in de Marquee afspeelde. ‘The Birds’, ‘Bones Of You’, ‘Magnificent’, ‘Lippy Kids’, ‘One Day Like This’, ‘Grounds For Divorce’, de een nog mooier dan de ander. Beautiful! Het Belgische Newmoon speelde een aardige partij shoegazer. Een mooie sound hebben ze zeker, ook een aantal sterke liedjes, maar het gezaag van de jonge zanger tussen de bedrijven door ging me behoorlijk de keel uit hangen. Wat een aansteller.

Dag drie van Pukkelpop begon al om 11:55 uur stipt en wel op brute wijze met Steak Number Eight. Ondanks het vroege tijdstip trokken de jonge mannen uit Wevelgem lekker strak van leer met vette postmetal die ik enorm waarderen kan. Ook de ongecontroleerde sprong vanaf het podium van zanger/gitarist Brent mocht er wezen. Ondertussen werd ik getipt om toch maar eens Tank And The Bangas te gaan checken. En daar kreeg ik bepaald geen spijt van. Van een afstand leek het een reggae-band met twee volumieuse soul-diva’s, maar bij nader inzien klonk het meer als een strakke rockband zonder gitaren met, inderdaad, twee goeie soulzangeressen. Een fijne cocktail van hiphop, funk, soul en rock, met een waanzinnig goeie drummer. From New Orleans, shake that booty!

Moose Blood viel daarentegen behoorlijk tegen, te veel standaard emo dus daar was ik rap klaar mee. Nou was Cocaine Piss ook niet bepaald vernieuwend, maar hun jaren 80-punk klonk wel bijzonder urgent en vitaal. Alle ellende van de stad Luik werd in korte tijd uitgespuugd, waarbij frontvrouw Aurélie Poppins (vermoedelijk geen familie van) niet op enige subtiliteit noch zangtalent te betrappen viel. Maar ze baande zich daar wel al gillend een weg door het uitzinnige publiek terwijl er een levensgevaarlijke moshpit gaande was. Respect, zeker ook voor de straffe band die wel op het podium bleef.

Vooraf had ik veel verwacht van Car Seat Headrest, door album ‘Teens Of Denial’ de indierock-lievelingen van afgelopen jaar. En inderdaad, ‘It doesn’t have to be like this, killer whales’ klonk ook bijzonder fijn, maar uiteindelijk begint de zeurstem van opper-hoofdsteun Will Toledo toch erg te vervelen. Mij althans. Misschien moet hij die andere gitarist meer zangwerk laten verrichten. Al met al was het aardig, maar nergens werd het memorabel, niet zoals een Cloud Nothings ofzo. The Afghan Whigs maakte hun favorietenrol wel helemaal waar, maar wel anders dan verwacht. Zelfs zonder een enkel lied te spelen van prachtalbum ‘Gentlemen’ wisten ze namelijk een geweldig mooie set te spelen. Heel knap! Nou staan er toevallig ook diverse pareltjes op hun laatste album en was Greg Dulli zeer goed bij stem, dat dan weer wel. Genieten geblazen. Zeker ook vanwege dat liedje van zijproject The Twilight Singers en ‘Somethin’ Hot’.

At The Drive In viel me juist nogal tegen. Het geluid in de Marquee was niet super, de band speelde rommelig en Cedric Bixler’s zang was niet bepaald om over naar huis te whatsappen. Hij bewoog zich als een soort stramme Latino Elvis over het podium, jongleerde met zijn microfoon waarbij hij geregeld het begin van een zanglijn miste en nipte aan wat kamille-thee. Met opener ‘Arcarsenal’ leek het wel goed te komen, maar toen eenmaal ook de techniek gitarist Omar Rodríguez in de steek liet (effectenbak) was het gedaan. De band liep er verloren bij, dat had ik heel graag anders gezien. Moon Duo bleek bij nader inzien helegaar geen duo meer te zijn. Maar ik moet toegeven dat de drummer toch wel wat toevoegde, al bleef het na een tijdje toch te monotoon voor mij. Monotoon Trio? Ondertussen bouwde Rise Against een degelijk punkrock-feest, dat was best aardig, op een Foo Fighters-achtige manier.

Gruppo di Pawloski zou mijn gedroomde afsluiter moeten worden, de band van de Vlaamse held Mauro Pawlowski. Het liep toch een beetje anders. Het stelletje moeilijkdoeners ging monter van start met het voorschotelen van hun lastig te doorgronden muziek. Met de heer Mauro als übercoole slangenbezweerder met een onhandelbare microfoon aan het roer. Het raggen op de elektrische jammerplank liet hij over aan twee andere getalenteerde gasten, die daarnaast ook nog eens zijn motoriek overgenomen leken te hebben. En toch, het zal de vermoeidheid zijn geweest van drie volle dagen festival: na een muziekstuk of vijf trok ik de complexiteit niet meer en verlangde zowaar naar een lichter te verteren muziekje. Wat een geluk dat ik nog mooi de laatste vijf liederen van Band of Horses kon meepikken. Daar heerste een enorme partij feel-good in de Club-tent, de band vermaakte zich zichtbaar en met pareltjes als ‘Is There A Ghost?’, ‘The Funeral’ en ‘The General Specific’ werd het publiek ook op zijn wenken bediend. Prachtig en wat mij betreft een fijnere afsluiter dan die op het hoofdpodium, Flume.

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.