Take Root 2005

“God was in Assen, al duurde het maar even.”
Zonder spijkerbroek werd je zaterdagavond 1 oktober niet binnengelaten bij Take Root, het American Roots Music festival in DeSmelt. Een intrigerende locatie, want een subtropisch zwemparadijs annex ijsbaan annex kiprestaurant in… Assen. En de line-up van Take Root is óók al zo intrigerend. Een vreemde mengelmoes van stijlen, van oude blues tot gladde countrypop tot indie tot… Eels. Onze belangstelling was gewekt.
Eels deed aan headlinen. Dat zou hij vaker moeten doen!
Dus trokken wij afgelopen zaterdagmiddag onze meest onopvallende spijkerbroek uit de kledingkast en reisden af naar Assen. Waar wij toch nog uit de toon vielen, want wij waren helaas vergeten mee te nemen: een stoffen schoudertas van de bouwmarkt, een bril (varifocus), een grijze pruik en, boven al, ons eigen voedsel. Want hoewel er in de hal van het zwemparadijs heerlijke saté en hamburgers te krijgen waren, kan natuurlijk niets op tegen het genot van eigengemaakte bammetjes.


mij=Met walvis in de rol van “ik” en George als “de fotograaf”.
Nels Andrews. Zucht.
Al bij het eerste optreden, van Nels Andrews and The El Paso Eyepatch, spot ik een gezellig smikkelend stel-op-leeftijd. Hij (brillenverkoper in Meppel) verorbert een zachte bruine bol met ham en zij (leesmoeder op de christelijke Meppeler basisschool) gaat zich te buiten aan een pakje fristi met rietje. Toe maar. Het is voorlopig de enige actie die ik waarneem. De rest van het publiek lijkt het thema van dit festival namelijk wel erg letterlijk te nemen. Terwijl ze luisteren naar Nels en zijn Texaanse ooglapjes schieten zij wortel. Taking root, inderdaad! Als kaarsrechte palmbomen staan de grijze countryminnaars naast elkaar. Slechts hier en daar knikt een hoofd zachtjes op en neer, net buiten de maat van Nels' toch behoorlijke rechttoe rechtaan muziek. Terwijl ik kijk naar deze beminnelijke singer-songwriter, en de Phillip Seymour Hoffman look-a-likes op de banjo en de drums dwalen mijn gedachten af. Heb je dat ook wel eens, dat je je afvraagt wat een muzikant nog méér zou kunnen doen? Zo vind ik Nels Andrews eigenlijk veel meer een leraar maatschappijleer op een middelbare school in El Paso dan een zanger. Niet dat hij slecht zingt, helemaal niet. Maar als ik naar hem kijk zie ik toch telkens weer die leraar, die al vijf jaar is verloofd met zijn highschool sweetheart Sarah en iedere zondagochtend in El Paso zijn Chevrolet wast en daarna gaat vissen. Af en toe schudt een goedmoedig applausje mij wakker, en blijkt Nels opnieuw een nummer tot een voorspelbaar eind te hebben gebracht. En verdomd, daar slaat Phillip Seymour Hoffmann op zijn banjo alweer de akkoorden van nóg een liedje aan! Hoorden wij deze melodie daarnet ook al niet? En het vorige nummer ging toch óók over de familiegeschiedenis van Nels' buddy Paul? Toch maar even proberen te luisteren. Anders weet ik straks niets over deze band te schrijven.
HMMMMM! Kristin Mooney! Woei!
'I don't think lights are necessary, do you?' vraagt Kristin Mooney aan niemand in het bijzonder, terwijl ze naar de lichtkoepel kijkt bovenin het kleine zaaltje waarin zij, haar echtgenoot Eric Heywood en twee andere bandleden zijn weggestopt. Het is nog vroeg, en Kristin Mooney zal dus bij daglicht gaan spelen. 'We usually look a lot better than this!' lacht ze ons toe. Onzin natuurlijk, want Kristin is een plaatje om te zien. En bovendien heeft ze een stem als warme chocolademelk met slagroom op een novemberavond. Zelfs in dit zaaltje, met de sfeer van een aula (compleet met in-elkaar-schuif-stoelen en blauwe vloerbedekking) klinkt haar stem nog als een klok. Het maakt waarschijnlijk helemaal niet uit waar Kristin staat te zingen. Waarschijnlijk overtuigt haar bezielde countryrock overal. En waarschijnlijk klinkt haar muziek overal… hetzelfde. Als je houdt van nummers met een climax die je bij je strot grijpen, loop in de platenzaak het bakje met de M van Mooney dan maar snel voorbij. Kristin doet niet aan rauwe uithalen en Eric Heywood kent geen verrassende loopjes op zijn pedal steel. Maar komen je schoonouders eten? Dan is Kristin een heel verstandige keuze. Zeer geschikt bij luchtige conversatie en twee glazen rode kwaliteitswijn.
Terug van weggeweest. Nou ja. Ze waren er in maart ook al. Helden in wording.
Ondertussen lijkt Washington zich in de grote zaal, net als wij, af te vragen wat zij op dit festival komen doen. Niet alleen zijn deze Noorse knullen twintig jaar jonger dan de rest van de artiesten en het publiek, maar ook is hun muziek met de beste wil van de wereld geen American roots. Maar ach, een Europese tournee moet ergens beginnen. Dus… waar is de blinde vinger op de kaart geland? Bovenop Assen. Zo zal het wellicht zijn gegaan. Bij aanvang van het concert staren de Noren nog wezenloos en angstig over onze hoofden in de richting van Groningen. Maar al bij het eerste nummer doet zanger Rune Simonsen onze harten smelten. Wat een zwijmelogen, wat een ontwapenend schuwe blik! De prijs voor Mooiste Glimlach van de Avond gaat zonder twijfel naar Noorwegen. Afgelopen maart stond Washington nog voor een 12-koppig publiek in Paradiso, maar inmiddels weten zij moeiteloos de aandacht van de festivalgangers te trekken. Voor het eerst deze avond wordt er bijna gedanst en er is zelfs één publiekje dat voorzichtig joelt. Een echte fan. En terecht. Washington is nog in wording, maar Washington is nu al goed. Een aangename mix van gitaargeweld, verrassende riffs en ritmes en heerlijk zangerige uithalen van de kleine Rune, die in zijn Noorse slaapkamer veel naar Thom Yorke zal hebben geluisterd. Deze band verdient meer exposure, en een groter publiek. Dus bij deze: kopen, die cd. Vandaag nog! Maar goed, dat riepen wij in maart al.
Kevn Kinney. Zou de blues uitgevonden kunnen hebben als hij zwart geweest was.
Je kunt helemaal níet van een bepaalde muzieksoort houden, en toch diep onder de indruk raken van iemand die die muziek maakt. Welke muziek? De blues. De échte, uit de moerassige binnenlanden van Mississippi en Tennessee. De vertolker? Kevn Kinney, die zijn optreden begint met een ferme teug uit een fles Jack Daniels. En daarna zet Kinney zijn strot open en weet je meteen dat hij in zijn leven al liters en liters whisky gedronken heeft. Hartstikke blank is 'ie, maar dat doet er niet meer toe, aangezien zijn stem naar de kloten is en hijzelf waarschijnlijk ook. Kinney draagt een cowboyhoed, speelt eindeloos durende drie-akkoorden-nummers en vertelt ondertussen verhaaltjes die eigenlijk niet zo grappig zijn maar waarom je toch moet lachen. Als de blues niet al eeuwen bestond, zou Kevn Kinney hem hebben uitgevonden.
Joseph Parsons. Bah!
Aangezien Shania Twain, The Eagles en Gary Moore een grote schare fans hebben, zal er beslist iemand zijn die de muziek van Joseph Parsons Squad bijzonder waardeert. Misschien ben jij degene wel. Misschien geniet jij van de blonde krullen en olijke lach van Joseph Parsons en dein je graag mee met 'Man, I Feel Like a Woman'-hooifeestdeuntjes. Misschien word jij verrukkelijk warm van binnen als iemand jou vanaf het podium regelmatig toeroept hoezeer hij jou liefheeft. Maar in tegenstelling tot jij denk ík: dan nog liever Frans Bauer. Of dood. Echt waar.
God rookt.
Zou er iemand op deze wereld zijn die níet geïntrigeerd is door Eels? Volgens mij niet. Alleen Madonna en de paus – en andere mensen die zichzelf geweldig vinden – zullen misschien hun schouders ophalen bij deze raadselachtige verschijning. Vandaag heeft Eels 'strings' meegenomen: drie vioolmeisjes en één cellomeisje. Ze lijken alle vier rechtstreeks afkomstig van een afgelegen conservatorium in Portland, Oregon. Gekleed in zwart pak en een walm van sigarenrook zet 'E' samen met 'Big Al', 'The Chet' en de vier meisjes een strakke, uitermate vakkundige show neer. Geen enkel nummer duurt langer dan hoogst noodzakelijk en eigenlijk is heel het optreden in een oogwenk voorbij. Maar vóórdat de karavaan voorbij is gestoven zijn wij wel getrakteerd op oorstrelende kunststukjes, vertolkt op alle vreemde instrumenten die je kunt bedenken… en dan nóg vreemder. Zoals een zingende zaag, het slot van een koffer en een gietijzeren vuilnisbak.
Gods rocks. Oh nee, roots!
Na het optreden ontspint zich een discussie tussen de fotograaf en mij, over de rol van Chet. Volgens mij zou Eels zónder Chet, minder magisch zijn. Over wat-een-muzikant-nog-méér-zou-kunnen-doen gesproken: Chet Lyster speelt nu even vijftien verschillende instrumenten in de band van Mark Oliver Everett. Maar hij overweegt zijn carriere als advocaat weer op te pakken, dan wel aan de slag te gaan als bodyguard, hersenchirurg, cokedealer, bodemonderzoeker of beeldhouwer van héle eigenaardige kunstwerken. The Chet kan namelijk álles. Volgens de fotograaf echter is het Eels, die alles kan. Sterker nog, volgens de fotograaf is Eels God. Hij pinkt er een traantje bij weg. En ach, ik weet bijna zeker dat hij gelijk heeft. God was in Assen, al duurde het maar even.
Wie durft er in godsnaam nog op te treden na Eels? Marah niet, in elk geval. Vijf minuten vóór hun aangekondigde optreden klimt een man het podium op, om te vertellen dat Marah helaas niet op tijd vanuit Londen naar Assen heeft weten te komen. Jaja… Vijf minuten voor aanvang? Maak dat je grootje wijs! De fotograaf en ik kijken elkaar eens aan en besluiten om, net als Marah, naar huis te gaan. Fuck Emmerhoff. Fuck zijn Melancholic Babies. Wij hebben God gezien. Mooier kan het niet worden.

6 gedachten over “Take Root 2005”

  1. “Zou er iemand op deze wereld zijn die níet geïntrigeerd is door Eels?”
    Ja, ik!! Als ik iets niets spannend vind, is het wel Eels.

  2. Well, E is God and Chet would be nothing without him but what would “Eels with strings” be without Chet? I think Chet is the heart and soul of the line-up, his singing saw and his steel and . . . If E is God, he is the Metatron.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *