Interview: Nits

De nieuwe cd Angst ligt alweer een aantal weken in de winkels, en de Nits zitten midden in een theatertournee om dit project live te ondersteunen. File Under zag in Apeldoorn een enthousiast spelende band, en sprak direct na het concert uitgebreid met drummer Rob Kloet. Een gesprek over klankkleur, kamelenritmes en de wil om vriendelijk en zacht te spelen.

Rob, mag ik als fan beginnen? Wat een fantastisch concert. Ik heb jullie inmiddels zo’n tien keer gezien, maar zelden zo goed in vorm.
[verrast] Oké!

Herken je dat?
Jawel, jawel, want dat heeft heel erg te maken met een soort van rust die je gevonden hebt. Dat je op een gegeven moment heel goed weet wat je wilt. Als het mij duidelijk is geworden welk verhaal ik wil vertellen, dan kan ik bijna zeggen dat ik geen klap verkeerd kan geven, omdat het dan altijd past in het beeld dat ik voor ogen heb. Ik ben van de school die slagwerk spelen omschrijft als verhalen vertellen. Als je dan de boog over het nummer weet – hier begint het en daar moet het naar toe – dan kun je in die boog alles doen. En we hebben de laatste jaren heel veel gespeeld, en hebben onderling vertrouwen opgebouwd. Dan weet je: tegen die andere twee aan, dat gaat altijd goed.

Is vertrouwen opbouwen nog steeds iets wat speelt, na al die jaren?
Ja, dat moet iedere keer weer komen. Als je een tijdje niet speelt, dan moet iedereen weer zijn plek vinden. Dat gaat wel steeds sneller natuurlijk. We hebben in de afgelopen tijd veel gedaan met Scapino, en dat was voor ons heel intensief. We moesten heel erg repeteren omdat ze een bepaald arrangement altijd op dezelfde manier gespeeld wilden hebben. Dat is voor ons een redelijk grote opgave [lacht]. Maar daar heeft de band ook weer iets van geleerd.

Hoe vond je dat vanavond ging?
Ik vind dat altijd heel moeilijk te zeggen, want zo na afloop heb ik een soort van dip. Dat heeft met suikerspiegels te maken. Dus ik onthoud me altijd van commentaar. Maar vanavond voelde je heel goed de energie van de zaal, en dat zat goed. En hoe wij dan gepresteerd hebben, om dat rotwoord maar te gebruiken, da’s moeilijk te beoordelen. Ik weet een paar details die ik heel mooi vond en een paar details die ik niet erg mooi vond, maar dat heb ik altijd. Robert Jan en Henk trouwens ook.

En dat de zaal dan niet helemaal vol zit, steekt dat?
Dat interesseert me echt helemaal niets. Wij zijn daar met die mensen om met zijn tweeën iets op te bouwen. Het is wel belangrijk dat de band het publiek krijgt dat de band verdient. Of dat er dan 100 of 5000 zijn, dat vind ik niet belangrijk. Natuurlijk heb je ook een economische overweging, maar ik denk dat het best oké is zoals het gaat. Ik vind het heel belangrijk dat je als muzikant altijd dat kunt doen wat je wilt, ongeacht het publiek dat er zit. Tenzij je in de verkeerde locatie staat, en er staat een funk-publiek voor je neus, die dat helemaal niet diggen. Ja, dan heb je echt een probleem.

Ben je tevreden met je publiek?
Heel erg, ja. Er zijn veel mensen die heel aandachtig luisteren. Er zijn mensen die groot fan zijn. Ik vind dat mensen goed reageren, ook op dingen die ze nog nooit gehoord hebben. Dat vind ik heel belangrijk. Dat betekent dat ze er open voor staan, dat je niet zo’n lauw-biefstuk-applaus krijgt.

Hoe ontstaat de setlist? Je speelt ook dit keer weer de gehele nieuwe plaat.
Ja, deze keer is dat in één keer gegaan, het gebeurt ook wel eens dat we dat niet redden. Deze keer hebben we alle tien kunnen doen, en dan is het zaak dat we iets vinden dat past bij die tien die er zijn. En hoe we die tien verdelen over twee sets. We hebben nu dit, maar we hebben al gezegd dat dit niet de heilige setlist is. We gaan daar verder mee aan de gang. Dit is mooi, nu hebben we een beetje een beeld, en nu gaan we weer verder ontwikkelen.

Er zaten nummer tussen die ik nog nooit live had gehoord.
Oh te gek.

Oom-Pah-Pah bijvoorbeeld.
Ja, ja…

En Port of Amsterdam.
Nog nooit live gehoord? Ongelofelijk! Nou ja, ik moet zeggen, hij is ook heel erg teruggekomen door Scapino, die hadden het uitgekozen voor een choreografie.

Jullie gaan nu ook weer op toernee door Europa?
Ja, volgend jaar gaan we naar het buitenland.

Is de show daar anders?
Nee. Hoewel, soms doen we nummers die heel erg op een specifieke stad of plek zijn geënt. Dan proberen we het nummer erbij te nemen, dat doen we bijvoorbeeld in Zwitserland, Frankrijk en Finland. Maar eigenlijk blijft het wat het is. Het enige dat bij ons scheelt is of we een één-setter of een twee-setter spelen, of dat we in een club spelen of in het theater. Die dingen hebben wel invloed op de setlist.

Heb je daarin voorkeuren?
Nee. Ik wil het allebei heel graag doen en ik vind het heel mooi dat ze er allebei zijn. Na 50 keer theater heb je wel behoefte aan… aan een beetje vettigheid.

Jullie oeuvre is heel divers qua sound en instrumentatie. Live moet je dat naar een eenheid vertalen. Ook je drumsound. Is dat elke keer weer een puzzel?
Ik ben altijd bezig geweest om voor iedere nieuwe fase in ons bestaan een ander soort drumset te bedenken. Vroeger ging dat zelfs zo ver dat ik de hele drumset deconstrueerde en dan gewoon maar weer dingen neerzette. Deze keer heb ik dat gedaan door er steeds maar weer dingen op te leggen. Ik heb met heel veel verschillende stokken gespeeld, doeken en cymbals over de drums gelegd. Soms hele lagen erop gelegd en dan vond ik een ander soort sound. Die sounds nodigt dan uit tot een ander soort denken over groove en over flow. Ik probeer altijd zo te spelen dat je eigenlijk vergeet dat het een drumset is. Natuurlijk… als je op die trommels speelt, blijven het trommels, maar nog steeds denk ik dat je dat zo kan doen dat je bijna vergeet dat het een drumset is.

Wat is het dan wel? In plaats van een drumset?
Dan wordt het meer een illusie, dan ontstaat er een soort muzikale spanning waardoor je vergeet dat ik eigenlijk zit te drummen. Dan ontstaat daar een klankwolk, of een groove of wat dan ook. Ik probeer het dan zo te doen dat je niet denkt “hij speelt een fijne bas”. Dat probeer ik eruit te krijgen. Daarmee ontstaat een verhaal en ook ruimte voor Henk en Robert Jan om hun ding erbij te doen.

Wat betekent dat voor je relatie tot het instrument?
Nou ja, ik gebruik deze blauwe set al heel lang dus ik ken hem heel goed. Ik weet waar ik moet slaan als ik een bepaalde sound zoek, en ik weet ook wat de dynamische mogelijkheden ervan zijn. In die zin ben ik heel erg blij dat ik hem heb. Ik heb ook een tijd op een nog grotere [Ludwig] Vistalite gespeeld. Een massaal ding, maar daar heb ik heel zacht op gespeeld. Dat was mijn visie ermee. Maar dit drumstel… ik kan er dus alles mee. Ook met die snare drum. Ik heb hiervoor heel lang op metalen snares gespeeld, en op een gegeven moment kwam ik in de situatie dat ik dacht: “ach kom, ik zet die plastic snare drum er ook bij, eens kijken wat dat brengt”. En ik was echt verbluft! [lacht] En ik ben nu echt helemaal happy met die snare drum. Ik ken heel veel collega’s die zeggen “kunststof, kom op nou, dat kan niet! Dat moet maple uit 1957 van die boom zijn. Ik kan me dat voorstellen, maar zo werken mijn oren waarschijnlijk niet. Da’s niet belangrijk voor mij.

Maar evengoed is een klankkleur wel belangrijk voor je?
Heel belangrijk. In het drummen zijn er twee even belangrijke dingen: de groove en de klankkleur. Iedereen zegt altijd “no guts no glory”. Dat betekent dat je gewoon op je drumstel *baf* vooruit moet gaan. Maar ik zeg altijd: “no sound, no story”. Je kunt wel heel erg goed zitten grooven, maar als het nergens naar klinkt doordat de sounds in je set niet goed zijn, wordt het niks. Dus die twee dingen zijn voor mij even belangrijk. Er zijn heel veel drummers die ik zeer bewonder die heel erg op de groove zitten, en dat vind ik geweldig mooi. Er zijn ook drummers die nog veel verder gaan in alleen sounds. Die heb je in de vrije improviserende hoek heel veel. Maar ik probeer die twee dingen een beetje bij elkaar te pakken.

Noem eens een drummer die dat ook doet?
Je vindt het heel veel bij jazzdrummers bijvoorbeeld, omdat ze zo zacht spelen, en dus heel erg de intrinsieke klank van het instrument gebruiken. Ik bedoel – als je cymbals harder dan 60% speelt, maakt het echt niet zoveel meer uit welk cymbal je gebruikt. Dat zal met een gitaarversterker ook zijn, als ze allemaal op 15 staan, hoor jij het verschil niet meer.

Het viel me vandaag weer op dat jullie geluid zo goed is. Ik heb nu extra op het drumspel gelet, en werkelijk elke aanslag hoor je en kun je onderscheiden.
Ja, dat heeft te maken met de ook al 43-jarige samenwerking met de geluidsman, met Paul [Telman]. En het heeft ook wel te maken met het feit dat je ook heel zacht moet ‘willen’ spelen. Als ik niet goed in mijn vel zit, en ik speel zacht, hoor je het niet. Dat is waarschijnlijk een kwestie van timing. Ik ben heel erg op de energie en de intensiteit. Als dat er is, maakt het niet zo veel meer uit of je dat met een groot gebaar doet of met een klein gebaar.

Hoe zou je jouw rol in de band beschrijven? Henk schrijft de melodieën en teksten, Robert Jan omschreef zichzelf als inkleurend. Wat is jouw aandeel dan?
Om dan die driehoek rond of volledig te maken: ik houd de beweging gaande. Ik zou liever het woord beweging gebruiken dan dat ik een ritme erbij verzin. Ik ben ook altijd heel erg bezig met hoe Henk zijn tekst fraseert, en daar baseer ik vaak een soort ritme op. Ik vind het belangrijker dat de band in beweging blijft dan dat het grooved, want als je de band in beweging houdt, dat komt die groove vanzelf. Die maken wij eigenlijk heel vaak met zijn drieën.

Kun je dan zeggen dat je meer in patronen denkt en speelt dan in ritmes?
Ja, ik begrijp waar je naar toe wil. Ik zit niet zo vast aan een bepaald ritme. Ik wil een sfeer. Bijvoorbeeld bij “In the Dutch mountains”. Voor mij was dat altijd een oosters ritme, een kamelengroove noem ik dat. Ik weet niet waar het vandaan gekomen is, maar ergens in mijn vroegere jeugd is, zoals Obelix in de ketel met krachtdrank is gevallen, heb ik ergens een keer heel veel dingen uit die hoek gehoord. Ik ben helemaal niet opgevoed met die muziek maar daar haal ik wel veel uit [doet kamelenritme na]. Een soort lichtheid zit daar in wat mij zo aanspreekt.

Zijn er nog belangrijke ontwikkelingen in drums geweest tijdens jouw carrière?
Nou ja, op een gegeven moment waren ook de goedkoopste drumstellen eigenlijk heel erg goed. Je kunt nu voor vijf, zeshonderd echt al een goed klinkende set krijgen, en dat was vroeger niet zo. Dan moest je echt wel goed investeren in een goed klinkende set. Er is ook een enorm aanbod in verschillende soorten bekkens en vellen gekomen en daardoor hoor je ook heel veel onderscheid bij drummers. Waar ik zelf erg dol op ben is de invloed die elektronica daarin kan hebben. Ik vind dat de combi akoestisch en elektronisch samen hele mooie en spannende verhalen oplevert.

Leg nog eens uit wat je precies met die elektronica doet?
Ik heb niet zoveel met samples gewerkt, eigenlijk helemaal niet maar wel met een Nord 3P, zo’n drumpad met vlakjes. Daar zaten tot mijn grote geluk bijna Kraftwerk-achtige sounds in [doet een Kraftwerk-achtige kgggggg-geluid na] en allerlei hele weirde dingen. Dat heeft me heel erg geïnspireerd. Bijvoorbeeld bij “Along a German river”, dat pop-pop-pop pop-pop-pop, komt daar vandaan. Dat kun je niet met een blok spelen, maar elektronisch kan je dat precies doen [klapt ritme], en je kunt het ook klein maken. Dat vond ik heel interessant, als iets geheimzinnigs dat dan opeens tevoorschijn komt.

Kan je dan ook zeggen dat je daarmee ook een beetje elkaars gebied verkent?
Ja, zeker!

Henk heeft veel met samples gespeeld geloof ik?
Ja, met de iPad. Hij heeft heel veel sounds gemaakt, stem-dingetjes… bomen… Dat kwam op een gegeven moment allemaal tevoorschijn bij de opnames.

Toen ik naar de plaat luisterde en probeerde te turven wie wat speelde, was dat bijna niet te doen.
Ja, ja, dat wordt lastig ja…[lacht] Maar inderdaad, Robert Jan speelt absoluut ook percussieve dingen, en ik doe nu ook melodische samples. Anders zou hij handen tekort komen. Zo simpel is het nu.

En dat klinkt geweldig.
Ja dat is mooi, dat geeft iedereen ook ruimte. Robert Jan doet al waanzinnig veel, dat soort dingen neem ik er dan uit, dan houdt-ie vingers over [lacht]. En ik vind het ook leuk om te doen.

Je hebt niks met loops gedaan, hè, voor deze plaat?
Nee. Op “Malpensa” zaten heel veel loops, maar hier helemaal niet. Nou ja, laat ik zeggen, “Breitner on a Kreidler” is een soort loop van Henk. Eigenlijk is het één lange take. Het tempo is daar heel vast van, maar wij gaan daar in een iets ander tempo overheen. Dat vind ik wel heel spannend. Zijn sounds zijn heel erg legato, en wij spelen daar dan vrij puntig overheen. Dan gaat het zo [maakt gebaren waarbij hij zijn vingers over elkaar schuift], hoe zeg je dat…

Als een Moiré effect?
Oh ja, dat is het, dat is precies het woord! Dat vind ik een vondst met dit project. Neem bijvoorbeeld “Zündapp nach Oberheim”, daar spelen Henk en Robert Jan de flow van de song, maar ik speel daar dan een soort van ritme onder dat er helemaal niets mee te maken heeft [lacht uitbundig]. Dus ik doe een soort van zeven die ik steeds verdicht, en op gegeven moment komen daar die claps bij… Dat noem ik dan coulisse-landschappen. Zoals je in een trein zit, en in de verte die bomenrijtjes verschuiven. Dat vind ik dan echt ontzettend spannend.

Ontstaan dat soort dingen uit een soort van ontspannen proberen, of leggen jullie jezelf van te voren duidelijke regels of beperkingen op?
Nee, dat ontstaat en begint vrij. Het is natuurlijk vijf jaren voorbij gegaan sinds “Malpensa”, en in die vijf jaar hebben we met de band heel veel gedaan, maar ook iedereen van de band zelf heeft individueel allerlei projecten gedraaid. Dat merk je dan als we weer bij elkaar komen en nieuwe nummers gaan maken. Dan komen al die dingen opeens tevoorschijn. Ik heb in Zwitserland een intensief project gedaan met twee andere slagwerkers, er daar heb ik blijkbaar heel veel dingen beoefend die dan in je kop blijven zitten. En ik luister dan ook zeker naar waar Henk en Robert Jan mee komen. Ik heb in het begin alleen maar op een koffer gespeeld. Ik had een 16 inch tom-tom-koffer met een bass drum pedaal er tegenaan gevonden in een drumwinkel, en dat bleek in de sound van dat moment ongelofelijk goed te zijn. Een bass drum is te gek, maar neemt soms heel veel plek in, en dat heb je niet altijd. Wat ik ook heel belangrijk vind is dat de sound iets vriendelijks heeft. Ik vind het in deze tijd belangrijk dat wij als band niet een agressieve sound naar voren brengen, dat er muziek is die rust en vriendelijkheid uitstraalt. Ik vind het ook te gek als het agressief en hard is, dat vind ik mooi, maar [stellig] nu wil ik dat niet. [lacht]

Sinds?
Ja ach, je komt er wel achter dat de wereld, waar Henk ook over zingt, in verandering is. Men is wat bang, en op een gegeven moment merk ik ook bij mezelf dat ik niet zoveel behoefte meer heb om ongelofelijk hard en agressief uit mijn dak te gaan. Ik probeer je eigenlijk meer te verleiden dan je te overbluffen. Dat is waar ik naar toe zou willen.

Hoe belangrijk is studeren op je instrument?
Voor mij heel belangrijk. Ja, absoluut. Ik studeer niet op het drumstel, want dat gaat niet, maar ik doe thuis gewoon ritme-oefeningen. En nog steeds zit ik iedere soundcheck van tevoren loopjes te spelen omdat ze een bepaalde losheid vergen.

Dat is om in conditie te blijven?
Ja – de vaardigheid die je nodig hebt, daar moet je echt boven staan. Ik vind het ook mooi als je hoort dat het zwoegt, dat je hoort “aahhh, die mannen zijn echt aan de rand van hun vaardigheden en het lukt”. Maar soms wil ik het zo zien te krijgen dat je eigenlijk niet begrijpt hoe het kan. Ik vind het niet zo leuk als die virtuositeit het centrum van de muziek is. Dat is soms heel mooi, daar heb ik niets op tegen, maar bij ons vind ik dat dat niet moet. Bij ons moet het geheel als een wolk blijven zweven. En dat je je er over verbaast dat dát lukt; dat vind ik dan mooi.

Hoe luister je naar drummers die heel erg op techniek leunen? Zoals bijvoorbeeld Mike Portnoy [vroeger van Dream Theater]?
Als de sound en de muziek me aanstaan, dan ga ik natuurlijk een beetje onderuit. Dan denk ik “Jezus man, waar ben ik aan begonnen?” [lacht] Ik was heel erg onder de indruk van de drumpartijen bij Bowie zijn laatste plaat, die jazzdrummer die in die waanzinnige 4x tempi over die langzame nummers heel speelt, dat vond ik fantastisch mooi. Maar ik vind dus: je moet absoluut studeren, anders leer je het instrument ook niet kennen. Je hoeft van mij heus niet al die super-ingewikkelde dingen te kennen, maar ik wil wel dat je, als je die klap geeft, dat je dan wel voelt waar het vandaag komt. En dat kost echt tijd.

Wat zijn je invloeden?
Wat muzikanten betreft: eigenlijk ben ik begonnen te realiseren dat drumsets bestonden met Dave Brubeck – Take 5 met Joe Morello. Toen ik dat op tv ook zag realiseerde ik me: “oh… dat is een drumstel”. Dat was in 1962, toen was ik tien jaar. Dat was een eye-opener en toen begon het. Natuurlijk Ringo Starr, als ik die naam maar mag noemen. Verder Jim Keltner bij Ry Coorder, Bill Bruford. Ach, er zijn er zo veel. Bij Joni Michell zat vroeger John Guerin, die heeft die waanzinnige lichtheid. Die komt uit de jazz en maakt al die wolkjes, ahhh… dat vind ik zo goed.

En als je breder kijkt dan collega muzikanten?
Dan is het wat ik met jou bespreek, dan is het wat ik op televisie zien, de balletten waar ik graag naar toe ga, de boeken die ik lees. Ik heb heel vaak als ik iets lees, een artikel, roman of essay, dat ik notities zit te maken omdat ik denk dat het op de één of andere manier die ik nog niet begrepen heb, invloed gaat krijgen op wat ik ga spelen. Dat is volgens mij heel belangrijk voor iedere muzikant, dat je overal vandaan dingetjes haalt. [Robert Jan Stips komt inmiddels binnen]

Nog even terug naar hoe jullie als Nits muziek maken. Wat mij vaak verbaast is dat er elementen in de muziek zitten waarvan je aanvankelijk denkt: “hoe kom je er mee weg”.
Ja! [lacht]

Bijvoorbeeld “Two Sisters”…
Robert Jan: Dat we zo langs elkaar heen spelen?
Rob: Ja, hahaha!

Nou, voor mij is dat een ontroerend nummer, en daar zit dan een bijna absurde zang-sample in.
Rob: Ja ja ja, dat komt van Henk af natuurlijk, die had daar thuis mee geëxperimenteerd, en toen we het nummer opnamen, heeft hij dat ook ingespeeld. Ik vind het altijd belangrijk, als we gaan beginnen in de studio, dat het echt zo ver mogelijk afstaat van datgene dat je zou kunnen verwachten. Anders vind je zelf geen nieuwe ingangen in wat je wilt maken. Het is ook een kwestie van gewenning; als je die weirde dingen dan gedaan hebt en na een week of drie hoor je het weer, denk je “nou dat is eigenlijk best aardig” [lacht].

Ik kan me voorstellen dat het dan jammer is als dat soort ideeën in de kiem gesmoord worden.
Rob: Ja, precies! Die ruimte moet je elkaar ab-so-luut geven. Robert Jan heeft ook van die partijen gespeeld die bewust zoveel mogelijk er langs gingen.
Robert Jan: Ja ja ja, we hebben écht de kunst van langs elkaar heen spelen ontdekt, dat geeft heel veel nieuwe mogelijkheden.
Rob: Een enorme sfeer krijg je er door, terwijl die flow, die loopt echt wel door, da’s helemaal geen probleem.

Op de luisteraar maakt dat de indruk dat bij jullie alles lukt.
Rob: [lacht uitbundig en maakt een triomfantelijk gebaar] YES!

Maar sneuvelt er veel in dat proces?
Rob: Nee, bij deze cd helemaal niet.
Robert Jan: Niet veel, nee.
Rob: “Zündapp nach Oberheim” vonden we een uitdaging, maar dat is toch gelukt.
Robert Jan: Het is juist, simpele nummers als “Flowershop”, daar hebben we een aantal takes voor moeten doen, die lukte niet.
Rob: Simpelheid, dat hele eenvoudige is toch eigenlijk het moeilijkste.

Ik kan me voorstellen dat op toneel een bepaalde dapperheid nodig is om achter je drumstel te gaan zitten en dan iets relatief simpels te spelen.
Rob: Ja, maar moet je overheen stappen. Ik denk dan: “ja daag, dit doe ik!”
Robert Jan: Ach, je trekt gewoon een moeilijk gezicht! [en vertrekt lachend]
Rob: Nee, maar dat heb je gewild. Je wilt muzikant zijn, je wilt datgene spelen waarvan jij denkt dat dat daar zo moet. Daar moet je dan voor gaan staan. En dan klinkt het ook goed. Als je denkt “ooohh, dat is te eenvoudig”, dan kun je het vergeten.

Is het na 43 jaar Nits niet alleen nog maar een baan?
Nee, dat is het helemaal niet. Het is maar net wat je onder een baan verstaat, je verdient er wel je geld mee. Maar ik weet wel, als bij mij de vonk dooft om te spelen, dan moet ik echt subiet stoppen. Ik heb wel eens de indruk dat ik dat zie, dat mag ik misschien niet zeggen, soms denk ik wel eens als ik mensen zie spelen “dat moet je eigenlijk maar niet doen”. Dan komt er helemaal niets van het podium af, omdat het zo ongelofelijk gedaan wordt als een baan. Als het een professioneel orkest betreft met een dirigent ervoor is dat anders. Die zijn in staat gebleken om dat toch te doen, die kunnen het als baan spelen en weer naar huis gaan, maar die zijn toch in staat om die muziek tot leven te brengen. Daar heb ik respect voor. Maar als je speelt zoals wij dat doen, dan moet je veel meer iedere keer van nul af beginnen en het nummer weer opbouwen.

Heeft het ooit gedreigd, dat het een sleur werd?
Er komt natuurlijk een moment, dat gaat nu ook weer komen, als je veel moet spelen (we spelen er nu 60 tot mei), dat er een verzadiging ontstaat. En daar ben ik wel beducht op, dan denk ik “ooohh, let op”.

Heb je binnen het Nits-repertoire nog een favoriet nummer, album of periode?
Ik denk dat dat de nummers zijn waar we duidelijk een ander pad zijn ingeslagen, of een risico hebben genomen, die me altijd het meest raken. Ik noem er maar één, maar dat is puur wat er nu in mijn gedachten schiet. Ik weet nog heel goed toen we “Omsk” maakten, dat het nummer “Nescio” redelijk laat in de sessies tevoorschijn kwam. Toen werkten we met John Sonneveld bij DMC. Die wilde weten hoe we dat gingen aanpakken. En toen zei Henk tegen hem: “we willen eigenlijk effe een heel erg saai nummer opnemen”. [lacht] Want het begint natuurlijk met alleen maar “eeeeehhh”. Dat was het eigenlijk… Je hebt nu al jaren gezien hoe dat zich ontwikkeld heeft. Er zijn momenten geweest dat het me zelf ontroerde, en dat ik dacht “hoe krijgen we het in godsnaam voor elkaar dat het toch weer zo gaat”. Dat vind ik dan heel mooi.

En nog steeds leuk om te spelen?
Ja, ja, maar dat heeft dan weer te maken met het feit dat je het iedere keer weer van nul af moet spelen. Ik maak zelf weinig veranderingen, heel subtiel schuif ik door “Nescio” heen. We hebben nu sinds een aantal jaren een wat steviger versie, qua drums is het behoorlijk vet geworden, en misschien dat dat wel weer eens een keer verandert.

Is er iets dat je nog graag zou willen doen met de band?
[denkt lang na] We hebben het er wel eens over gehad: het zou mooi zijn om eens een cd te maken die één ding is. Dus niet tien nummers of zo maar één lang stuk. Dat wil niet zeggen dat het dan maar door-dreint, maar dat gebied zou ik wel eens willen verkennen.

Tot slot: moet je lekker in je vel zitten om een goede muzikant te zijn?
Welnee, maar dat vind ik wel een behoorlijk cliché. Soms zijn er momenten geweest dat ik heel erg boos was, om wat voor reden dan ook. Dat levert dan in eerste instantie een blokkade op. Maar dan doe je dingen als [maakt woest slaande beweging] Godverde-PAF!!! , en dan doet Robert Jan [maakt wild schrikgebaar] WOOWW!!!, en Henk houdt dan op, of gaat juist omhoog… En dan heeft het toch zin. Ik ben nooit een man geweest die heel erg gelooft in een harmoniemodel, ik vind wel dat er wrijving moet zijn, anders kun je met zijn drieën niet die druk op de ketel krijgen. Het is ook goed als het allemaal leuk en aardig is, dat is zeker belangrijk om het lang vol te houden, maar je moet ook kunnen bijten met zijn allen… Dus ik zou altijd zeggen, [lacht] als je muzikant wilt worden moet je gewoon leven, leven, leven, leven, leven… en dan wordt het wat.

4 gedachten over “Interview: Nits”

    1. Dank je wel!
      Het was een lastig gesprek om voor te bereiden (en een helse klus om uit te schrijven) maar het gesprek zelf verliep, dankzij de enthousiaste, openhartige en humoristische houding van Rob, zeer gemakkelijk.
      Daarbij is het verfrissend om te zien dat er nog websites zijn die een verhaal van deze omvang in zijn geheel willen plaatsen!

  1. Obviously, not understanding Dutch, I’m sure a lot was lost in the translation into English. But enough of Rob’s passion for his art came across to make me wonder why I’d never read an interview with him before. I’ve always thought he was a unique percussionist, but had no clue as to the level of thought behind it, or the intricacy of how the band functions as a unit. So I’m very happy to have read this, and just wish someone would now interview him in English!

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *